De eerzame, beroemde kunstschilder Rembrandt van Rijn, Leiden 1606 -1669
Amsterdam.

Wel te pas

Begin 1631 had Rembrandt in Leiden, samen met 99 anderen, geïnvesteerd in een tontine. Dat was een financiële constructie waarbij een groep deelnemers geld in een fonds stak, dat dan gebruikt werd voor lucratieve beleggingen. Als een van de investeerders stierf, kwam zijn deel van het dividend toe aan de anderen, net zo lang tot er nog maar een van hen over was, die alles kreeg. In maart 1631 hadden notarissen bevestigd dat alle inschrijvers van de Leidse tontine nog leefden. Een jaar later volgde weer een controle. Notaris Jacob van Zwieten kwam op 26 juli 1632 kijken of Rembrandt nog in leven was. Hij constateerde dat de schilder ‘wel te pas’ – goed gezond – was.

Naar Amsterdam

Rembrandt woonde toen niet meer in Leiden. Hij was langzamerhand een bekende schilder aan het worden. In 1631 had een aantal voorname Amsterdammers een portret bij hem besteld. Aan het einde van dat jaar verwisselde Rembrandt zijn geboortestad voor de wereldstad Amsterdam.

Werkplaats

De notaris trof Rembrandt aan in het huis van de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh, aan de huidige Jodenbreestraat, op de hoek met de Zwanenburgwal. Bij hem woonde de schilder op dat moment in. Hendrick van Uylenburgh handelde niet alleen in oude kunstwerken. Hij had ook een werkplaats aan huis, waar schilderijen en prenten werden geproduceerd voor de verkoop. Rembrandt was vier jaar lang het hoofd van dat atelier. Op huijden den 26 july anno 1632 hebbe ick
Jacob van Zwieten not[ari]s etc. in presentie vande
naebes[chreven] getuijgen mij ten v[er]soucke van d'Ersame
pieter huygen de boijs, wonende buijten leyden op
de hoge most gevonden ende getransporteert ten
huijse van Mr. heijndrick Ulenburch schilder
op de brestraet aen St. anthonissluijs binnen
deser stede ende aldaer aen seecker dochtertge dat
voor Quam gevraecht hebbende off Mr. Rembrant
harmensz van Rijn schilder (die ten huijse aldaer
logeerde) in huijs en voorder hant was heeft
het selve dochtertgie Jae geantwoort ende op mijn
v[er]souck