De eerste foto's van Amsterdam

Tijdens het onderzoek voor nieuwe tentoonstellingen stuiten we vaak op interessante verhalen. Hieronder vindt u een aantal voorproefjes op de expositie De eerste foto’s van Amsterdam, 1845-1875, die vanaf 2 april 2010 te zien zal zijn in het Stadsarchief.

Lees meer over:
De eerste foto’s van Amsterdam, 1845-1875
Benjamin Brecknell Turner en de buitententoonstelling

Jacob Olies Amsterdamse rafelranden

Jacob Olies vroege foto’s tonen een uniek beeld van negentiende-eeuws Amsterdam. Met zijn camera legde hij het leven van alledag op zo’n manier vast, dat het nu, bijna honderdvijftig jaar later, nog steeds heel vertrouwd aandoet.

Geduldig wacht groentevrouw Bet totdat de fotograaf klaar is. Ze is er maar bij gaan zitten. Het hondje links had meer haast, waardoor zijn verschijning wat is gaan zweven. Jacob Olie maakte deze foto, tussen 1862 en 1864. We zien hier zijn eigen woonhuis, de Zandhoek 10. Olie heeft naast de groentevrouw ook zijn zus Christina (Stijntje) op de gevoelige plaat gezet. Zij woonde samen met haar moeder en broer in het bovenhuis. Het levert een intrigerend dubbelportret op.

Zandhoek door Jacob Olie, 1862-1864. De puien en stoepen van Zandhoek 10-11. Voor de stoep zit Betje de groentevrouw met haar kar. In de deuropening van nummer 10, het woonhuis van de familie Olie, staat Jacobs zuster Stijntje (Christina) Olie. Afbeeldingsbestand B00000031074

Jacob Olie werkte eerst als timmerman en bouwkundige. Later werd hij tekenleraar en directeur van de eerste ambachtsschool van Nederland. Hij had een grote interesse in fotografie. In 1855 bezocht hij een tentoonstelling over architectuurfotografie. Die expositie heeft hem waarschijnlijk zo gemotiveerd dat hij besloot zelf met de camera aan de slag te gaan.

Olie stamde niet uit een welgesteld nest. Zijn familie zat in de houthandel en de scheepsbouw. Ook al had hij zelf een degelijke opleiding en een goed beroep, een peperdure camera ging ver boven zijn budget. Olie bouwde hem daarom zelf.

In de zomer van 1861 maakte hij waarschijnlijk zijn eerste foto’s. Ze zijn nog niet zo scherp als in de daaropvolgende jaren. We zien in foto’s uit deze periode veel van Olie’s eigen buurt: de havenwijk bij het Westerdok. Natuurlijk zijn eigen huis aan de Zandhoek, maar ook veel scheepswerven. Van de negen werven op het Bickerseiland waren er vier eigendom van familieleden, waardoor Olie ongestoord zijn gang kon gaan met het uitoefenen van zijn hobby. Ook experimenteerde Olie met vergezichten. Hij kende de molenaar van korenmolen De Bok goed, hij was een aangetrouwde oom van Olie. Jacob mocht daardoor best even naar boven klimmen en vanaf het dak de verre uitzichten fotograferen.

Het is niet zo gek dat Olie dicht bij huis bleef: hij moest wel. In die tijd werd gefotografeerd met het zogenaamde ‘natte collodium procedé’. Dat houdt in dat een natte glasplaat in de camera werd gezet. Het glas diende als negatiefdrager, waar een laagje collodium over werd gegoten als basis voor de lichtgevoelige zilverzouten. Het was zaak de natte plaat zo snel mogelijk in de donkere kamer te ontwikkelen, want was hij eenmaal opgedroogd, dan was de lichtgevoeligheid weg. Olie kon daardoor slechts in een beperkte straal van zijn donkere kamer opereren.

Die beperking stond hem niet in de weg om prachtige foto’s te schieten. Olie was weliswaar een amateur, hij had daardoor meer vrijheid dan een professionele fotograaf. Hij kon experimenteren met de camera en portretteerde buurten waar beroepsfotografen nooit zouden komen. Dankzij Olie kunnen we nu nog genieten van de rafelranden van negentiende-eeuws Amsterdam.

Zie ook Jacob Olie in de Beeldbank

Dichter op een voetstuk

Op 18 oktober 1867 wordt in het Amsterdamse Rij- en Wandelpark het standbeeld van Joost van den Vondel onthuld. Het publiek stroomt toe om het bijna twee ton wegende metalen portret te bewonderen.

Dichter Joseph Alberdingk Thijm, groot bewonderaar van Vondel, had voorgesteld om het standbeeld bij de Torensluis te plaatsen. Maar de Amsterdamse raad voelde hier niets voor: de kosten voor de fundering zouden de pan uitrijzen. In het voorjaar van 1867 waren de hoge heren eruit: Vondel zou in het Amsterdamsche Rij- en Wandelpark komen te staan. Bovendien werd het park en de aangrenzende straat naar de dichter vernoemd.

De kunstenaar die Vondels beeld ontwierp, Louis Royer, was niet de minste. De van oorsprong Vlaamse beeldhouwer had al tal van nationale helden in metaal gevangen. Het Rembrandtbeeld en Naatje op de Dam bijvoorbeeld. Maar ook Michiel de Ruyter (Vlissingen), Willem van Oranje (Den Haag) en Laurens Janszoon Coster (Haarlem).

De ‘Hoofdcommissie tot oprichting van een standbeeld van Joost van den Vondel’, ging akkoord met het ontwerp en Royer kon aan de slag. Vanwege het enorme gewicht van het stenen voetstuk en het bronzen beeld moest eerst een stevige fundering aangelegd worden. De gemeente nam de kosten van fl. 3000,- op zich. Architect Pierre Cuypers, beroemd vanwege onder meer het Rijksmuseum en het Centraal Station, was verantwoordelijk voor de uitvoering van het voetstuk.

Op 18 oktober 1867 was het zo ver: het beeld werd onthuld. Drie dagen lang deden de Vondelfeesten de stad bruisen. Natuurlijk moest het statige standbeeld ook op de foto. Die opnamen laten zien dat het voetstuk ten tijde van de onthulling nog niet geheel afgewerkt was. De omgeving was een kale boel: de ophoging rond het beeld was nog niet klaar en beplanting ontbrak.

Deze foto is waarschijnlijk in de zomer van 1868 gemaakt. Misschien heeft de fotograaf gewacht tot de struiken waren geplant en mooi in blad stonden, voordat hij zijn fototoestel opstelde. Links op de foto staat Pierre Cuypers en naast hem de Amsterdamse koopman en portretschilder Anton Sterck. De man in het midden is de dichter Joseph Alberdingk Thijm. Hij lijkt weinig belangstelling te hebben voor Vondel, maar des te meer voor de echtgenote van Anton Sterck, die een knappe dame schijnt te zijn geweest. De dame rechts is waarschijnlijk Antoinette Cuypers-Alberdingk Thijm, de vrouw van Cuypers en de zus van Alberdingk Thijm.

Commotie in 1865: reuzenluchtballon in Amsterdam

Voor het oog van duizenden belangstellenden gebeurt dan eindelijk waar iedereen al dagen op zit te wachten: de reuzenballon van de Franse ‘aéronaut’ Félix Nadar gaat de lucht in. Fotograaf Pieter Oosterhuis legt het spektakel vast.

De linkerkant van een stereofoto van Pieter Oosterhuis uit 1865

Heel Amsterdam gonsde al dagen van de activiteit. Van heinde en verre kwamen nieuwsgierigen naar de stad om met eigen ogen de luchtreis van de Franse avonturier te zien. De Hollandsche Spoorweg zette extra treinen in, en tussen Purmerend en Amsterdam voeren extra schroefstoomboten. Maar toen bleek dat op die bewuste maandag 11 september 1865 de wind onverantwoord hard woei, werd het evenement afgeblazen en uitgesteld.

Félix Nadar, fotograaf, journalist en ballonvaarder, putte zich uit in excuses en riep zijn publiek op om op donderdag 14 september alsnog van de partij te zijn. Die dag stroomde het weiland bij de Utrechtse Poort, achter de gasfabriek, opnieuw vol met toeschouwers. Tergend langzaam bolde de ballon op door het gas en kwam het gevaarte overeind. Toen de 400 burgers en militairen die de ballon in bedwang hielden loslieten, steeg ‘Le Géant’ eindelijk op.

Een uur lang reisde Nadar met zijn gezelschap in de lucht, maar toen de Noordzee akelig dichtbij kwam, besloot Nadar zijn monsterballon in de Haarlemmermeerpolder te laten landen. Heelhuids kropen de avonturiers uit hun huisje. Ze waren voorbereid op een landing in eenzaam gebied, want met een kermistoeter en een grote tafelbel waarschuwden ze nabije boeren dat het gigantische gevaarte in het weiland lag.

Het opstijgen was een groots spektakel geweest, maar al snel verschenen er zure stukjes in de kranten. Het vullen van de gigantische ballon had veel te lang geduurd en dat lange wachten op het grasveld was ronduit gevaarlijk geweest voor de dames. Want waren zij niet gekleed op een middags uitstapje? In plaats daarvan moesten ze urenlang stilstaan in een door dauw bedekt grasveld. Ook hadden de redacteuren geen goed woord over voor de twee ingehuurde fanfareorkesten ‘welke gedurende den geheelen dag reeds de gehoorzenuwen van het publiek pijnlijk hadden aangedaan’. Bovendien bleken de versnaperingen van beroerde kwaliteit te zijn en tot overmaat van ramp waren onverlaten van de achterste rangen ruw naar voren gedrongen.

Naast deze (misschien typisch Amsterdamse?) reacties vermeldden de journalisten ook dat ‘een fotografie-toestel van den heer Oosterhuis gereed stond om van het indrukwekkende schouwspel een afbeelding te nemen, die, naar wij vertrouwen, zoo spoedig mogelijk algemeen verkrijgbaar zal zijn.’

Pieter Oosterhuis maakte inderdaad prachtige foto’s van de reuzenballon. Deze zijn bewaard gebleven en maken deel uit van de collectie van Stadsarchief Amsterdam. 145 jaar na dato zal het spektakel van Félix Nadar in detail te zien zijn op de tentoonstelling De eerste foto’s van Amsterdam, 1845-1875, vanaf 2 april 2010 in het Stadsarchief.

De hierbovenstaande teksten zijn van Annemarie Lavén

Laatst bijgewerkt op 29 maart 2010