834: Archief van Heineken N.V.

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

834

Periode:

1672 - 1997

Inleiding

Heineken, 1863 - 1972

Om half elf in de avond van de 30ste juni 1863 begint Gerard Heineken aan een brief aan zijn moeder, de weduwe Heineken-van der Paauw. Hij moet haar nog snel vertellen dat hij om 9.00 uur diezelfde avond een gesprek heeft gehad met de heren Heshuysen en Roelofs, commissarissen van bierbrouwerij de Hooiberg aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Tijdens die bijeenkomst had hij vernomen dat het kapitaal van de Hooiberg 86.400 gulden was, verdeeld over 288 aandelen van 300 gulden per stuk. 'Dus niet erg groot! vind u wel, dat viel mij seer mede', aldus Heineken aan zijn moeder. Het is duidelijk dat Heineken met plannen rondloopt om de brouwerij de Hooiberg over te nemen. Ooit rendeerde deze oude en fameuze Amsterdamse brouwerij '25, 30, ja eens 40%', maar door een slechte brouwmeester was de reputatie van de brouwerij bedorven en werden er grote verliezen geleden.

Een punt van zorg is dan ook dat 'wat de bekwaamheden betreft'; Heineken zelf nameliijk weet niets van bier brouwen. Commissaris Heshuysen overtuigt Heineken echter al snel dat dat geen enkel probleem is. Waar het op aan komt is een goede brouwmeester te vinden.

Tenslotte vertelt Heineken zijn moeder dat hij de volgende morgen om 8.00 uur met Heshuysen de brouwerij gaat bekijken en belooft hij haar onmiddellijk te schrijven over alles wat hij daar zal zien. Jammer genoeg is de brief met deze beschrijving niet bewaard gebleven.

De gesprekken met de commissarissen van de Hooiberg resulteren erin dat officieel op 15 februari 1864 de gebouwen van de brouwerij in handen komen van Gerard Heineken voor een bedrag van 48.000 gulden. Dezelfde dag gaat een circulaire uit dat de oude Maatschappij heeft opgehouden te bestaan en dat de zaken onder de firma Heineken & Co zullen worden voortgezet. Om alle transacties te kunnen tekenen was Gerard in november 1863 voortijdig meerderjarig verklaard.

Heineken pakt de zaken voortvarend aan. Hij schrijft brieven naar herbergiers, koffie- en bierhuishouders en particulieren om zijn bier aan te prijzen. Er kunnen proefbestellingen worden gedaan van Heineken's 'uitmuntend novemberbier' en mocht het niet bevallen dan kan het worden teruggestuurd op kosten van de brouwerij. De klant is koning.

De plannen tot demping van de Nieuwezijds Voorburgwal zijn voor Heineken doorslaggevend om zijn brouwerij te verplaatsen vanuit de binnenstad naar een plek waar aan- en afvoer van grondstoffen en producten geen probleem vormen. Heineken kiest voor een plek net buiten de Singelgracht, tegenwoordig de Stadhouderskade, in de weilanden van de Buitenveldertse polder. Al in 1865 was Heineken begonnen met het aankopen van percelen grond en in 1866 krijgt hij vergunning van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam om daar een bierbrouwerij met stoomvermogen, mouterij, leg- en bewaarkelders en andere installaties te plaatsen. Op vrijdag 17 mei 1867 krijgt Heineken's moeder de eer een gedenksteen voor de nieuwe brouwerij te leggen. De troffel voor de steenlegging ligt in een houten kistje, gemaakt in de vorm van het nieuwe brouwhuis, met op de bodem een zilveren plaatje waarop de tekst staat gegraveerd: 'Deez'steen door U gelegd, zij strekke eens ten zegen van 't kostlijk Amsterdam. Door 't brouwen van goed bier worde 's volks wensch verkregen, voorgoed hun afscheid van Schiedam'.

De tekst geeft treffend weer hoe in die jaren van de 19de eeuw over het gebruik van alcohol wordt gedacht. Gebruik van alcohol is slecht, maar wordt vereenzelvigd met het drinken van jenever. Het drinken van bier daarentegen wordt niet als alcoholgebruik gezien. Bier is gezond en chic. Zeker het nieuwe uit Wenen geïntroduceerde ondergistende 'beierse' bier. In de jaren 1869-1872 schakelt Heineken over op de nieuwe productiemethode van het ondergistende pilsener bier. Dit brengt uitbreidingen in de brouwerij en schaalvergroting in het algemeen met zich mee. De ondergistende methode vereist bijvoorbeeld koeling waarvoor ijskelders en andere kapitaal vereisende investeringen nodig zijn.

In Amsterdam verschijnen intussen bierlokalen naar Weens model. Milles Colonnes en Schiller aan het Rembrandtplein, Krasnapolsky met haar wintertuin, en Die Port van Cleve gaan het artistieke en intellectuele uitgaansleven domineren. Om afzet in deze gelegenheden te garanderen begint Heineken in horecapanden te investeren. De belangen worden ondergebracht in een reeks van Maatschappijen tot Exploitatie van koffiehuizen 'waar bier werd geschonken' hotels, restaurants en buffetten.

Heineken is niet de enige die in Amsterdam ondergistend bier gaat brouwen. In 1870 steken de heren De Pesters en Van Marwijk Kooy gezamenlijk familiekapitaal in een door hen op te richten en te exploiteren bierbrouwerij. Deze verrijst een eindje verderop in de weilanden aan de Amstel en gaat brouwen onder de naam Beiersch bierbrouwerij ¿De Amstel¿. Jarenlang zullen Amstel en Heineken elkaars felle concurrenten zijn. Tot 1968, want dan valt het doek voor de brouwerij aan de Amstel en wordt zij ingelijfd door Heineken.

Het wervelende Amsterdamse leven aan het eind van de 19de eeuw trekt intussen ook de aandacht van de Rotterdammers. In Rotterdam wordt de brouwerij d¿Oranjeboom geëxploiteerd door de heren Baartz en Hoyer en ook zij willen overschakelen op het brouwen van het nieuwe bier. Het exploiteren van een Beiersche bierbrouwerij is echter kapitaalintensief en Baartz zoekt contact met Heineken om gezamenlijk in Rotterdam iets te gaan ondernemen. Dit leidt tot de oprichting van de Heineken¿s Bierbrouwerij Maatschappij NV (HBM) op 4 januari 1873. Een week later wordt in Rotterdam de acte gepasseerd in aanwezigheid van onder anderen Gerard Heineken, zijn brouwmeester Wilhelm Feltmann jr, Willem Baartz en Hubertus Hoyer. Samen met 36 anderen, onder wie kopstukken uit de Rotterdamse financiële wereld, brengen zij een kapitaal van 1,2 miljoen gulden in, verdeeld over 240 aandelen van 5000 gulden per stuk. Heineken neemt deel voor 166, Baartz voor 20, Feltmann voor 7 en Hoijer voor 6 aandelen. Voor zijn aandeel brengt Gerard Heineken zijn Amsterdamse brouwerij met alle toebehoren in als kapitaal en op 4 januari wordt Gerard tot president-directeur benoemd. Feltmann, Hoyer en Van Gendt worden zijn mede-directeuren. Baartz wordt commissaris.

Het doel van de onderneming is het exploiteren van de Amsterdamse brouwerij en het bouwen van een nieuwe in Rotterdam. Om concurrentie te vermijden zal d'Oranjeboom bovengistend blijven brouwen.

De nieuwe brouwerij wordt gebouwd aan de Crooswijkse Singel en in 1874 in bedrijf genomen. Rotterdam zal de export verzorgen en het zuiden des lands van bier voorzien, Amsterdam neemt het westen en noorden voor haar rekening. Gerard Heineken krijgt alle taken die een president-directeur toekomen en voert zelf de hoofdadministratie. Voor het brouwen zijn in Rotterdam Wilhelm Feltmann en in Amsterdam Bernard Stuer verantwoordelijk. In Amsterdam wordt rond 1873 met ca. 40 man personeel gewerkt. Ongeveer de helft daarvan is Duitser, goede vaklieden die vaak als zogenaamde ¿Wanderburschen¿ komen aanwaaien en op de brouwerij blijven hangen. Samen met brouwmeester Stuer en zijn gezin wonen zij op de brouwerij. Ieder heeft recht op 4 liter vrij bier per dag.

Gerard Heineken overlijdt geheel onverwachts op 18 maart 1893, twee en vijftig jaar oud. Hij laat een zoontje achter van amper 7 jaar. De macht in de vennootschap ligt nu bij de meerderheids-aandeelhoudster mevrouw de weduwe Heineken-Tindal. Zij beslist dat de heer J. Petersen tot directeur benoemd zal worden. Na enige gesprekken van commissarissen met de beoogde directeur is de benoeming begin 1894 rond. Brouwmeester Feltmann wordt president-directeur.

In de twintig jaar dat Gerard Heineken de leiding heeft, ziet hij de afzet van zijn brouwerij toenemen van ruim 17.000 hectoliter in 1873 tot ca. 200.000 hectoliter in 1893. Hiervan wordt ongeveer een vijfde deel naar het buitenland geëxporteerd. Vooral in Frankrijk maakt Heineken¿s bier furore en worden er prestigieuze prijzen gewonnen waaronder de gouden ere-medaille op de Wereldtentoon-stelling in Parijs in 1889.

Nog vóór de eeuwwisseling sterft ook de tweede man van het eerste uur, Wilhelm Feltmann.

In 1898 wordt de heer Petersen, inmiddels ook de echtgenoot geworden van mevrouw de weduwe Heineken, president-directeur en tot de directie treden tevens toe de procuratiehouders Albert Berkemeier en Gurben Dalmeyer. Na het overlijden van de heer Petersen in 1904 leiden zij het bedrijf totdat de tweede generatie Heineken de directie komt versterken.

In de periode Berkemeier-Dalmeyer maakt het bedrijf een sterke groei door en stijgt de afzet van 200.000 naar ruim 300.000 hectoliter. De afzet is vooral binnenlands, de export stagneert. In tropische landen wil men vooral goedkoop en houdbaar bier en dat wil Heineken niet leveren. 'Wij menen ons te moeten bepalen tot het brouwen van bier zuiver en alleen uit mout en hop, en ons derhalve onthouden van het gebruik van enig surrogaat', aldus Berkemeier. Toch gaat ook de HBM zelf proeven nemen met het pasteuriseren van bier, nadat het Berkemeier in 1903 ter ore komt dat op schepen van de Rotterdamsche Lloyd Heineken's bier is vervangen door een Duits bier, speciaal geschikt gemaakt voor de tropen. En dat terwijl de heer Ruys, directeur van die scheepvaartmaatschappij, commissaris bij Heineken is.

In 1909 komt, alleen voor de brouwerij in Rotterdam, een eerste collectieve arbeidsovereenkomst tot stand waarbij de arbeidstijd wordt teruggebracht naar 54 uur per week en aan de medewerkers een vakantie van 4 dagen per jaar wordt gegund. De zondagsarbeid was in 1904 al afgeschaft.

Henry Heineken treedt per 1 oktober 1914 toe tot de directie van de HBM, nadat hij in de zomer van dat jaar is gepromoveerd op een proefschrift getiteld ¿Over de nitratie van paradihalogeen-benzolen¿. Naast hem komt ir J.Th.Berkemeier, zoon van de oude heer Berkemeier. De jonge garde - nog geen dertigers - komt met nieuwe ideeën en inzichten die niet veel begrip vinden bij de 73-jarige brouwmeester Stuer. Hij ziet niets in het ¿laboratoriumwerk van de jonge doctor¿ en neemt in 1915 ontslag. In 1918 volgt zijn zoon hem op als brouwmeester. De jonge Stuer blijkt, net als zijn vader, een ongeëvenaarde bierkenner. De heer Emmens, die als jong ingenieur sinds 1920 op het laboratorium in Rotterdam werkt, zal later over hem schrijven dat hij zo onder de indruk was van het classificeren van de brouwsels door Stuer, dat hij zijn smaak voortaan als richtsnoer nam.

Ook de jonge Stuer woont op de brouwerij aan de Stadhouderskade boven het kantoor en behalve bierkenner is hij een groot wijnkenner en kok. Voor het bereiden van speenvarken en kreeft op de binnenplaats van de brouwerij draait hij zijn hand niet om en het hoogste doel van de gastheer is zijn gasten niet nuchter het huis uit te laten gaan.

In Amsterdam is overigens naast de oude ziederij met de houten kuipen in 1913 een geheel nieuw brouwhuis voltooid naar het nieuwste Duitse model met draaiwielen en koperen ketels. Dit brouwhuis vormt sinds 1991 het hart van het Heineken Ontvangstgebouw.

Getroffen door de economische malaise van de Eerste Wereldoorlog en de jaren daarna kunnen veel kleinere brouwerijen het hoofd niet meer boven water houden. Heineken heeft de middelen om debiet over te nemen en begint aan een reeks van overnames. Samen met Van Vollenhovens brouwerij wordt als eerste in 1918 de Amsterdamse brouwerij 't Haantje overgenomen. Daarna volgen Rutten¿s bierbrouwerij 'De Zwarte Ruiter' in Maastricht en nog vele anderen. Bij overnames van debiet werd meestal samen gedeeld met Van Vollenhoven of met De Amstel, naast Heineken de twee andere Nederlandse groten. Maar Van Vollenhoven kan ook zelf het hoofd niet boven water houden en begin jaren '40 wordt de brouwerij door Heineken en Amstel overgenomen. Al in 1921 constateert Henry Heineken dat de grenzen van het binnenlandse debiet zijn bereikt en dat het oog op het buitenland gericht moet worden. Het zijn goede jaren voor Heineken. De afzet groeit naar de 500.000 hectoliter, er zijn ruim 700 werknemers en er zijn ruime financiële middelen voorhanden. Om te beginnen wordt in de periode 1923-1926 in Rotterdam een bijna geheel nieuwe brouwerij gebouwd met een brouwhuis dat zijn weerga niet kende. De inwijding ervan was een grote show waarbij Z.K.H. Prins Hendrik het eerste brouwsel stort en jarenlang komen uit het hele land bezoekers naar Rotterdam om de ¿bierkathedraal¿ naar ontwerp van architect Willem Kromhout te bewonderen.

In 1927 wordt de eerste buitenlandse brouwerij aangekocht, de Brasserie Leopold in Brussel van de heren Damiens. Hoewel de supervisie over de bedrijfsvoering door Heineken wordt overgenomen blijft de dagelijkse leiding in handen van de oude eigenaren.

In dezelfde periode komt Heineken in contact met Rene Gaston Dreyfus, een Franse bankierszoon die een brouwersopleiding had gevolgd. Dreyfus kijkt met bankiersogen naar het brouwerijbedrijf en richt in Zwitserland de Societe Financière de Brasseries ( Sofibra) op waarin belangen worden ondergebracht in de twee Egyptische brouwerijen Crown en Bomonti, de Brasserie du Maroc in Casablanca en de Brasserie et Glacière de l¿Indochine in Saigon. In 1929 wil Dreyfus een brouwerij op Java vestigen. Hij zoekt hiervoor samenwerking met een Nederlandse brouwer en komt bij de directie van HBM terecht. Gezamenlijk wordt een reis naar Nederlands-Indië ondernomen waarbij namens HBM de pas in dienst getreden jhr Feith meereist. De heren komen tot de conclusie dat alleen Soerabaja geschikt is als vestigingsplaats, maar hen komt ook ter ore dat de in België gevestigde Brasserie Coloniale ( Cobra ) daar al een terrein had aangekocht met de bedoeling een brouwerij te bouwen. Onverrichterzake gaat het gezelschap huiswaarts en maakt een tussenstop in Singapore. Toevalligerwijs komen zij daar in contact met de Engelse limonadefabrikanten Fraser en Neave en onmiddellijk worden plannen gesmeed om dan maar gezamenlijk in Singapore te gaan bouwen. Thuis in Rotterdam wordt de zaak in de directie besproken en omdat het nodig wordt geacht ervaring in het tropenbrouwen op te doen, valt het besluit om te participeren in de nieuw op te richten Malayan Brewery. Heineken krijgt de technische leiding van de bouw en in het najaar van 1932 wordt het eerste bier afgeleverd onder de naam Tiger. Als experimentele tropenbrouwer durft Heineken nog niet haar eigen goede naam te riskeren.

In het begin van de jaren '30 raakt Heineken in contact met S.A. Internationale de Brasserie (Interbra), een Belgische holding maatschappij waarin de Banque de Bruxelles de belangrijkste deelnemer is. Behalve belangen in brouwerijen in Frankrijk, België, Belgische Congo en Angola, blijkt deze Interbra eveneens alle aandelen in handen te hebben van Cobra, de Belgische groep die in Soerabaja was gaan brouwen. Heineken krijgt in 1935 de kans een groot pakket aandelen te verwerven in Interbra en daarmee de controle over Cobra. En met Cobra heeft Heineken, weliswaar enige jaren later dan gepland, de N.V. Nederlandsch-Indische Bierbrouwerijen in handen. In 1937 wordt de naam omgedoopt tot Heineken¿s Nederlands-Indische Bierbrouwerij Maatschappij.

De steeds groter wordende financiële belangen in binnen- en buitenland brengen Heineken er toe om in 1935 de directie te versterken met een financiële man. Het wordt de heer Dirk U. Stikker die werkzaam was geweest bij de Twentsche Bank. Onder zijn leiding wordt er een aantal reorganisaties doorgevoerd waarbij uiteindelijk de N.V. Cobra de holdingmaatschappij wordt van bijna alle belangen die Heineken had verworven in buitenlandse brouwerijen. In 1939 zijn dit de Brasserie Léopold in Brussel, Malayan Breweries in Singapore, Heineken's Nederlands-Indische Brouwerij in Soerabaja, de Bières Bomonti et Pyramides te Cairo, de Crown Brewery in Alexandrië, Brasseries du Maroc in Cassablanca, en Interbra die op haar beurt weer belangen heeft in de Brasseries de Leopoldville in voormalig Leopoldville en de Union Messine in Metz.

In verband met de omvang der zaken besluit Heineken eind 1938 om het aandelenkapitaal meer in overeenstemming te brengen met de omvang van het bedrijf en de tot dan toe gesloten vennootschap te openen. Het kapitaal wordt op 12 miljoen gebracht, verdeeld over 12.000 aandelen van 1000 gulden nominaal. 2000 Aandelen worden tegen een koers van 155 % aan de Amsterdamse beurs genoteerd.

In februari 1940 treedt de heer Henry Heineken terug uit de directie, maar hij zal tot 1951 bij de zaken betrokken blijven als gedelegeerd-commissaris. Zijn plaats in de directie wordt ingenomen door de heer J.M.Honig, die werkzaam was geweest bij de Utrechtse Steenkolen Handels Vereniging.

De vaart die Heineken maakte in de jaren '30 valt in de loop van de oorlogsjaren 1940-1945 stil en in het eerste na-oorlogs gepubliceerde jaarverslag spreekt de directie haar zorg uit over de toekomst van het bedrijf. In 1948 neemt de heer Stikker ontslag als directeur als gevolg van zijn benoeming tot minister van Buitenlandse Zaken. Voor zijn vertrek heeft hij echter in Engeland nog de nodige contacten gelegd met Unilever met het plan om gezamenlijk in West-Afrika brouwerij-ondernemingen te starten. In Nigeria wordt al in 1949 een eerste brouwerij in Lagos geopend, in 1957 gevolgd door een tweede in Aba waarna nog andere volgen in Nigeria en omliggende landen.

Ook op de Zuid-Amerikaanse markt heeft Heineken het oog gericht. In 1952 komt de brouwerij La Criolla in Venezuela gereed en wordt daar begonnen met de productie en verkoop van Heineken bier. De verkoop van Heineken bier op de binnenlandse markt gaat echter moeizaam. Ondanks gezamenlijke campagnes van de Nederlandse brouwers met de slogan 'het bier is weer best' stijgen de binnenlandse omzetten minimaal. Van de binnenlandse productie van Heineken wordt bijna 47% geëxporteerd, grotendeels naar de Verenigde Staten.

In de loop van de jaren '50 gaat het echter weer snel bergopwaarts. De brouwerijen in Amsterdam en Rotterdam brouwen op topcapaciteit. Er wordt flink geïnvesteerd in capaciteitsuitbreiding en al in 1953 valt het besluit om een derde vestiging te bouwen en wel in `s-Hertogenbosch. Daar wordt begonnen met de bouw van legkelders en een grote bottelarij.

Intussen is ook de heer Alfred Heineken direct bij de bedrijfsvoering betrokken geraakt. Hij volgt in 1951 zijn vader op als lid van de raad van commissarissen waarna hij in 1958 wordt benoemd tot gedelegeerd-commissaris. In hetzelfde jaar wordt op 4 september de nieuwe brouwerij in

¿s-Hertogenbosch feestelijk geopend door Z.K.H. Prins Bernhard en voor het eerst wordt de grens van 1 miljoen hectoliter afzet overschreden, afzet uit de Nederlandse brouwerijen alleen. Het bierverbruik wordt omhooggestuwd door uitgekiende reclamecampagnes, nu niet langer door de brouwerijen gezamenlijk, maar door ieder voor zich.

In het buitenland doet Heineken het evenmin slecht en vooral het exportvolume draagt bij aan de rentabiliteit van de onderneming. De belangrijkste activiteiten in het buitenland zijn nog steeds die in Singapore, Indonesië, Egypte, Nigeria, Venezuela, België en in Belgisch-Congo.

Behalve voor brouwerijen krijgt Heineken ook belangstelling voor de gedistilleerd branche en de frisdrankenindustrie. Zij gaat deelnemen in de Distilleerderij en Likeurstokerij P.Hoppe N.V. en in Maastricht wordt met de productie en verkoop van vruchtensappen begonnen in de omgebouwde St Servatius brouwerij.

Per 1 oktober 1959 vindt de eerste grote herstructurering van het bedrijf plaats. Tot die tijd werden nagenoeg alle activiteiten van het concern uitgeoefend in Heineken¿s Bierbrouwerij Maatschappij N.V. In 1959 worden de deelnemingen in buitenlandse brouwerijen, inclusief de meerderheids-deelneming in Cobra N.V., ingebracht in Heineken Internationaal N.V.

Alle overige activiteiten van Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij worden ingebracht in Heineken Brouwerijen Nederland N.V.

In de loop van de volgende jaren worden nog opgericht Heineken Exploitatie Maatschappij N.V.'De Hooiberg' in 1961, Heineken Technisch Beheer N.V. in 1963 en Heineken Reken Centrum N.V. in 1966. In deze maatschappijen worden respectievelijk ondergebracht het klantenbindende onroerend goed en de horecabelangen, de technische know-how, research en centrale inkoopfunctie en tenslotte de exploitatie van de in september 1966 geïnstalleerde I.B.M.computer 360/40 in het Reken Centrum. Al deze activiteiten worden uit Heineken Brouwerijen Nederland N.V. afgesplitst. Precies 100 jaar nadat Gerard Heineken in Amsterdam de brouwerij de Hooiberg kocht neemt zijn kleinzoon op 23 januari 1964 plaats in de raad van bestuur der vennootschap. Hoewel Alfred Heineken al vele jaren als gedelegeerde deel had uitgemaakt van de raad van commissarissen, voelt een plaats in de raad van bestuur toch anders 'hetgeen vooral blijkt uit het vele huiswerk dat een lid van de raad van bestuur mee naar huis schijnt te moeten nemen', zoals hij zelf antwoordt op een van de vele felicitatiebrieven die hij ontvangt naar aanleiding van zijn benoeming.

De binnenlandse afzet die in de loop van de jaren ¿50 al flink begon toe te nemen, vertoont ook in de jaren '60 een sterk stijgende lijn. De export blijft eveneens een opwaartse trend vertonen, zodanig dat er 50% capaciteitsuitbreiding nodig is in de Nederlandse bedrijven. In 1965 is het totale exportvolume 588.000 hectoliter waarvan een kwart naar de Verenigde Staten wordt verscheept.

De activiteiten in het buitenland vertonen daarentegen hier en daar stagnatie. De Brasserie Leopold in Brussel wordt in 1963 verkocht en ook de brouwerij in Venezuela komt niet uit de rode cijfers en wordt ter overname aangeboden. In het Midden-Oosten worden in 1963 de brouwerijen in Cairo en Alexandrië door de Egyptische overheid genationaliseerd en ook in het Verre Oosten en Afrika ondervindt Heineken de gevolgen van dekolonisatie. In 1957 heeft Heineken zich uit de leiding van haar brouwerij in Indonesië moeten terugtrekken en in 1965 wordt de brouwerij onder beheer van de Indonesische autoriteiten gesteld. Malayan Breweries met haar inmiddels meerdere dochters maakt echter goede jaren. In Europa is, na het verlies van België, de Italiaanse brouwerij Cisalpina sinds 1960 Heinekens enige partner.

Eind 1964 brengt Heineken een bod uit op de 25% nog bij derden uitstaande aandelen in de N.V.Cobra. Zo goed als alle stukken worden aan Heineken verkocht, waarna de vennootschap in het concern wordt geïntegreerd en de naam Cobra verdwijnt.

In de sector frisdranken met merken als Si-Si, Pepsi-Cola, Seven-Up en B3 Fruitsappen haalt Heineken goede resultaten, zodat in 1968 wordt besloten om een bod te doen op de nog 50% bij derden uitstaande aandelen N.V.Vrumona waarvan Heineken Brouwerijen Nederland N.V. reeds de andere helft bezat.

Een veel groter en revolutionairder bod is dat op de aandelen en converteerbare obligaties van de Amstel Brouwerij N.V. in augustus 1968. De transactie wordt als een defensieve maatregel beschouwd om het voortbestaan van Heineken te kunnen waarborgen, nadat met schrik is geconstateerd dat Allied Breweries Ltd de Nederlandse markt is binnengeslopen met de overname van Oranjeboom en Drie Hoefijzers. Met de overname van de Amstel brouwerij door Heineken stijgt de hectoliter omzet van de binnenlandse brouwerijen in een klap van 2.5 naar 4.5 miljoen en de totale omzet van 7 naar ruim 9 miljoen hectoliter. Het samengaan van de twee brouwerijen heeft echter enorme integratieproblemen tot gevolg en voor het eerst wordt advies ingewonnen bij een extern organisatiebureau. Naar aanleiding van de adviezen van Mc Kinsey wordt de organisatiestructuur op basis van de juridische structuur losgelaten en wordt er een opsplitsing in divisies gerealiseerd. Er ontstaan nu de Divisie Commercie Nederland, de Divisie Internationaal en de Technische Divisie. De stafdiensten Financiën, Informatieverwerking, Economische analyse, Personeelszaken, Public Relations, Concern-secretariaat, Pensioen- en Personeelsfonds gaan rapporteren aan de voorzitter van de raad van bestuur, op dat moment jhr Oscar Wittert van Hoogland.

De Internationale Divisie krijgt de verantwoordelijkheid over de deelnemingen in het buitenland, de verkoop van know-how in het buitenland, de export en de licentieverlening. Enige jaren later wordt de Divisie Internationaal nog weer gesplitst in de Divisie Overseas en de Divisie Europa.

Een divisie Europa was lange tijd niet nodig omdat de activiteiten van Heineken, afgezien van export, in dit gebied in het niet vielen bij de activiteiten 'overseas'. In Europa wordt sinds 1960 alleen in Italië met Cisalpina samengewerkt waar het merk Dreher wordt gevoerd en in Engeland is een samenwerkingsverband met Whitbread tot stand gekomen. Met de overname van Amstel in 1968 krijgt Heineken Athenian Brewery S.A. in de schoot geworpen en daarmee een groot Amstel marktaandeel in Griekenland.

Mede onder aanvoering van Alfred Heineken wordt vanaf begin jaren '70 de aanval op de Europese markt ingezet. In september 1972 wordt de eerste stap op de Franse markt gezet met het bod op de aandelen van Brasserie de L'Espérance. Deze brouwerij bezat de meerderheid in Albra in Straatsburg, een van de belangrijkste brouwerijgroepen in Frankrijk met de bekende merken Mützig en Ancre. De verdere opmars in Europa begint pas vorm te krijgen vanaf de jaren '80 en valt dus buiten het bestek van deze inleiding.

In het binnenland blijft de omzet stijgen. De enorme druk op de productiecapaciteit van de Nederlandse brouwerijen doet de directie in 1969 besluiten om af te zien van de al langer lopende plannen tot herinrichting van de brouwerij in Rotterdam en de productie helemaal te verplaatsen naar een locatie elders buiten de stad. De keuze valt op Zoeterwoude waar in april 1974 de nieuwe brouwerij feestelijk wordt geopend door Z.K.H. Prins Bernhard. De bierkathedraal in Rotterdam wordt afgebroken.

Ten slotte kan hier nog worden vermeld dat op 25 februari 1971 Alfred Heineken tot voorzitter van de raad van bestuur wordt benoemd. Hij zal deze functie blijven uitoefenen tot 27 april 1989, waarna hij opnieuw toetreedt tot de raad van commissarissen als voorzitter en gedelegeerd lid.

De naam Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij wordt in april 1972 veranderd in Heineken N.V. Op de website van de Heineken Collection (http://stadsarchief.amsterdam.nl/presentaties/amsterdamse_schatten/werk/heineken/index.nl.html) wordt de geschiedenis van de bierbrouwerij geïllustreerd aan de hand van een tijdsbalk met beelden.



Archief

Het archief in deze inventaris beschreven, beslaat officieel de periode 1863 - 1972, het jaar waarin de naam van het bedrijf veranderde van Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij N.V. in Heineken N.V.

Hoewel de cesuur in het archief dus officieel bij het jaar 1972 is gelegd, kon deze om praktische redenen niet overal strikt worden doorgevoerd, omdat er geen sprake was van een breuk in de bedrijfsvoering en evenmin in de dossiervorming. De scheiding is dan ook enigszins geforceerd. Sommige dossiers overstijgen het jaar 1972, andere dossiers konden niet worden overgedragen, omdat zij eenvoudigweg voor de administratie ter plekke dienden te blijven.

Zo is er onder andere voor gekozen om een belangrijke bron van informatie als de 'directie notulen' niet mee over te dragen aan het Gemeentearchief. Het betreft twee series notulen, namelijk de 'notulen van de vergaderingen van commissarissen' en de 'notulen van de raad van bestuur'. Het bestuur werd aanvankelijk gevormd door het college van commissarissen en directeuren gezamenlijk en de serie notulen van deze vergaderingen loopt vanaf 1873 tot op heden. Vanaf 1927 vergaderden de directeuren apart. Hun bijeenkomsten werden aanvankelijk 'conseil' genoemd en vanaf 1961 raad van bestuur. De serie notulen van deze vergaderingen loopt vanaf 1927 tot heden. Beide series notulen kunnen in principe na schriftelijk verzoek hiertoe ten kantore van de onderneming worden ingezien.

Al in 1981 werd een groot bestand archieven door Heineken N.V. overgedragen aan het Gemeentearchief Amsterdam. Het betrof archieven van Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij, van Amstel Brouwerij en van Van Vollenhovens's Bierbrouwerij Maatschappij over de jaren 1706 - 1974. De archieven lagen opgeslagen op de zolders van de Amstel Brouwerij aan de Mauritskade en moesten wegens ruimtegebrek worden verwijderd. Dankzij de heer Kranenberg, oud-directeur van de Amstel Brouwerij, werden de archieven overgedragen aan het Gemeentearchief. De omvang van deze archieven bedroeg destijds ca. 1 strekkende kilometer en waren toegankelijk door middel van een plaatsingslijst. Het 'directiearchief' van Heineken N.V. bevond zich echter nog steeds in de kluizen van het hoofdkantoor aan het Weteringplantsoen. In 1989 werd dit archief geïnventariseerd.

In 1996 werd met het Gemeentearchief Amsterdam overeengekomen dat zij de inventarisatie van de Heineken archieven, zoals die zich sinds 1981 in hun depots bevonden, ter hand zouden nemen. Na enkele selectierondes was het archief inmiddels teruggebracht tot ca. 400 strekkende meter, maar werd weer aangevuld met de archiefbestanden vanuit het hoofdkantoor en vanuit de vestiging Heineken Nederland in Zoeterwoude. Bij de inventarisatie werd het archief verder geschoond. De inventarisatie van de overgebleven 120 meter kwam ten slotte in 2004 gereed.

Archiefvormer