5276
1850 - 1990
Op 7 april 1848 werd Pieter Scheltema benoemd tot archivaris van de stad Amsterdam. Zijn aanstelling was een laat uitvloeisel van het Koninklijk Besluit van 23 december 1826 waarin werd bepaald dat onbekende bronnen van de Nederlandse geschiedenis moesten worden opgespoord en gepubliceerd. Op het moment van zijn aanstelling was Scheltema al een aantal jaren ¿ aanvankelijk onbezoldigd ¿ bezig met de ordening en beschrijving van Amsterdamse archiefbescheiden. Na enkele kortlopende aanstellingen omdat de gemeenteraad meende dat de ordening van de gemeentelijke archieven slechts een korte tijd in beslag zou nemen en men bovendien opzag tegen de financiële verplichtingen van een vaste aanstelling, kreeg Scheltema in 1848 definitief het beheer over met name de secretarie- en thesaurie-archieven tot 1795 in het `nieuwe¿ stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal en over de oude stedelijke charters die in de IJzeren Kapel in de Oude Kerk werden bewaard. De archivaris resulteerde direct onder de gemeentesecretaris. Van een gemeentelijke archiefdienst was op dat moment nog geen sprake.[1]
In 1851 kreeg Scheltema naast de Amsterdamse archieven ook het beheer over de bibliotheek en een aantal museale collecties ten stadhuize, waaronder de wapenkamer, de rariteitskamer, de modelkamer met de modellen van Publieke Werken, de verzameling oudheden en de verzameling penningen en stempels. In de loop der jaren werden hier collecties aan toegevoegd, zoals de verzameling standaarden van voormalige stedelijke maten en gewichten (1853), de schilderijen en de verzameling oude kaarten op het stadhuis (1859) en de Metselaarsgildekamer in het waaggebouw op de Nieuwmarkt (1873). Tot de komst van adjunct-archivaris N. de Roever in 1877 werd Scheltema in zijn werkzaamheden alleen terzijde gestaan door een schilder en een zwaardveger die verantwoordelijk waren voor het schoonmaken en onderhouden van de schilderijen en de wapens in de collecties.
Intussen groeiden ook de archieven onder Scheltema¿s beheer, onder meer met het archief van de Wisselbank (1863), met oude rekeningen van ontvangers van de stad die door het Rijk in bruikleen werden gegeven (1869) en met de overdracht van de resterende gildearchieven na een verzoek daartoe van de gemeentearchivaris (1871). Bovendien kocht Scheltema zoveel mogelijk afgedwaalde stukken op en deed hij moeite om particuliere archieven via schenking of bruikleen binnen te halen. In 1879 werd begonnen met het indiceren van de doop-, trouw- en begraafboeken, in eerste instantie met de huwelijksintekenboeken uit de periode 1578-1811. Het beheer over de gemeentelijke archieven was inmiddels uitgebreid van de periode tot 1795 naar de periode tot 1812. Daarnaast plaatste BenW in 1888 het beheer over de bibliotheek van het administratief recht en van het binnen- en buitenlands gemeentewezen bij het archief. Als gevolg van deze aanwas werd het Amsterdamse archief permanent geplaagd door ruimtegebrek, een rode draad in de geschiedenis van het Gemeentearchief.
De tweede helft van de 19e eeuw kenmerkte zich ook door de afstoting van collecties en stukken waarvan men vond dat deze niet (meer) in het archief thuishoorden. Zo werden boeken die dubbel waren of niet specifiek op de geschiedenis van Amsterdam betrekking hadden afgestaan aan de Stadsbibliotheek (inv.nr. 609) en later aan de Universiteitsbibliotheek (1885), werd het beheer over de Metselaarsgildekamer in de Waag overgedragen aan de commandant van de brandweer onder toezicht van de archivaris (1881) en werden schilderijen en enkele oudheden ter beschikking gesteld van het nieuw geopende Rijksmuseum (1885 en 1887). De Historische Schutterijverzameling ontving een aantal objecten in duurzame bruikleen (1887), de rariteits-, wapen- en modelkamers werden opgeheven en de collecties daaruit overgedragen aan het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst (1888) en het Stedelijk Museum (1896), terwijl het beheer over de bibliotheek van het administratief recht en van het binnen- en buitenlands gemeentewezen aan het archief werd onttrokken en onder toezicht van een ambtenaar van het Statistisch bureau geplaatst (1894). Archivalia die niet in de collectie thuishoorden werden afgestaan aan provinciale en gemeentelijke archieven waar zij beter konden berusten (inv.nr. 562). De laatste collectie die werd afgestoten was de verzameling stedelijke historiepenningen en noodmunten van de stad die naar het Stedelijk Museum ging (1909). De doublures in deze verzameling waren al in 1889 verkocht (inv.nr. 586). Na het afstoten van de penningenverzameling beheerde de gemeentearchivaris drie collecties: de archieven, de bibliotheek en de historisch-topografische atlas van Amsterdam.[2]
Op 21 maart 1888 viel het besluit om de voormalige St. Anthoniswaag op de Nieuwmarkt tot archiefgebouw te bestemmen. In 1892 verhuisde het ¿oud -archief der gemeente¿, d.w.z. de archieven tot 1812, naar de Waag nadat een jaar eerder de IJzeren Kapel in de Oude Kerk was ontruimd en de charterkast in het nieuwe gebouw was geplaatst. Het ¿nieuw-archief¿, de gemeentelijke archieven vanaf 1812, bleven achter op de zolders van het stadhuis. De gemeentearchivaris moest zijn aandacht nu verdelen over het in oud en nieuw gesplitste archief op verschillende lokaties. Vooral de reorganisatie met terugwerkende kracht van de archieven van de verschillende gemeentelijke afdelingen in het nieuw archief vroeg vanaf 1893 veel aandacht van de gemeentearchivaris. De verhuizing naar de Waag was achteraf gezien geen gelukkige keuze. Het waaggebouw was van meet af aan te klein en had tal van technische gebreken: het was vochtig en het stonk er permanent omdat de muren van het gebouw als openbaar urinoir werden gebruikt. Toenmalig gemeentearchivaris W.R. Veder schreef in 1902 aan BenW dat de `walgelijke evaporaties¿ in het gebouw tot gezondheidsklachten leidden (inv.nr. 301). In 1900 was al een interne verbouwing nodig geweest om de overgebrachte archieven van de gasthuizen en het Burgerweeshuis te kunnen huisvesten. Toen een jaar later ook het archief van het Aalmoezeniersweeshuis werd overgebracht was de archiefbewaarplaats vol.
Op 28 april 1909 aanvaardde de Gemeenteraad van Amsterdam het voorstel om het voormalige raadhuis van Nieuwer-Amstel aan de Amsteldijk als archiefgebouw te gaan gebruiken. De aanbouw van een nieuw archiefdepot en de verbouwing van het raadhuis kwamen in 1912 gereed, de verhuizing duurde tot augustus 1914. De extra ruimte die door de verhuizing was verkregen werd al in 1915 voor een groot deel gevuld met de notariële archieven tot 1811 (met een lengte van 2,5 km) die door het rijk aan de gemeente in bewaring waren gegeven.[3]
1.2 De periode 1919-1990
Het in werking treden op 16 september 1919 van de Archiefwet 1918 had voor de gemeentearchieven verstrekkende gevolgen. Tot op dat moment bepaalde het 2e lid van art. 103 van de Gemeentewet dat het beheer van de gemeentelijke archiefbescheiden berustte bij de gemeentesecretaris, aan wie de archivarissen dus ondergeschikt waren. Met de invoering van de Archiefwet werd het beheer opgedragen aan de gemeentearchivaris die nu aan het hoofd kwam te staan van een afzonderlijke gemeentelijke dienst die rechtstreeks onder BenW ressorteerde. In de raadsvergadering van 5 november 1919 werd de Amsterdamse gemeentearchivaris herbenoemd en een nieuwe verordening op het archief vastgesteld.
De nieuwe gemeentelijke archiefdienst had vanaf het begin te kampen met ruimtegebrek. Het was de bedoeling geweest om een groot deel van de 19e-eeuwse gemeentelijke archieven die bij de verhuizing van het oud archief naar de St. Antoniswaag (1892) op de zolders van het stadhuis waren achtergebleven, onder te brengen in het gebouw aan de Amsteldijk maar er bleek slechts plaats voor de overbrenging van het archief tot 1827. Dit kwam onder meer omdat ook de archieven van de geannexeerde gemeenten Buiksloot, Nieuwendam, Ransdorp en Watergraafsmeer een plaats moesten krijgen (1921). Wegens een verbouwing van het stadhuis moest het nieuw archief ¿ waarin zich de secretarie-archieven vanaf 1827 en een aantal archieven van gemeentelijke diensten en bedrijven bevonden ¿ in maart 1923 verhuizen. Een tijdelijke behuizing werd gevonden in de net opgeheven Bank van Lening no. 9 aan de Herenmarkt 10-12.
De behoefte aan uitbreiding om het oud en het nieuw archief in één gebouw te kunnen verenigen werd ook door de gemeente ingezien. Op 26 september 1926 aanvaardde de Gemeenteraad een plan om het bestaande archiefdepot aan de Amsteldijk aan de achterzijde uit te bouwen. Hierin zou plaats zijn voor het gehele nieuw archief en tevens reserveruimte voor toekomstige archieven.[4] Toen gemeentearchivaris Joh.C. Breen begin 1927 onverwachts stierf besloot men het plan uit te stellen tot de nieuwe gemeentearchivaris zou zijn ingewerkt. Breens opvolger A. le Cosquino de Bussy keurde het plan echter af omdat hij de voorkeur gaf aan een nieuw te bouwen `cité universitaire¿ in Zuid waar ook de universiteitsbibliotheek en andere culturele instellingen een plaats zouden krijgen. Deze - achteraf bezien - desastreuze beslissing zou de archiefdienst het grootste deel van de 20e eeuw achtervolgen.
In de loop van de dertiger jaren bleek dat beide archiefgebouwen teveel te lijden hadden onder de zware belasting van de archieven waardoor binnenmuren scheurden en vloeren verzakten. Bovendien voldeed de brandbeveiliging van het gebouw aan de Herenmarkt niet aan de eisen. Op 16 februari 1938 keurde de Gemeenteraad een nieuw plan voor de uitbreiding van het archief goed, ditmaal door de twee naastgelegen scholen aan het gebouw Amsteldijk in de plannen te betrekken. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland nam echter een jaar de tijd alvorens hun goedkeuring aan het raadsbesluit te geven. Voordat goed en wel kon worden begonnen met de bouw, brak de Tweede Wereldoorlog uit en werden de plannen op de lange baan geschoven. Aan het begin van de oorlog moesten de zolderverdiepingen van beide archiefgebouwen worden ontruimd om een dakverzwaring tegen het gevaar van inslaande brandbommen te kunnen realiseren. Het archief van de zolderverdieping op de Herenmarkt werd ondergebracht in ruimten van de Centrale Markthallen waarbinnen het in de oorlog enkele malen is verhuisd, aan de Amsteldijk werd de naastgelegen Amsteldijkschool geannexeerd om archieven op te slaan en het fotografisch atelier te huisvesten. In 1942 werden enkele honderden meters van de kostbaarste stukken uit het Amsterdams archief (o.a. de charterkast) ondergebracht in betonnen bunkers in de duinen bij Zandvoort en Heemskerk.
Het ruimtegebrek van de archiefdienst had ook op een andere manier ongewenste gevolgen. In 1933 was de jaarlijkse overbrenging van vijf jaar oude stukken door de secretarieafdelingen opgeschort. Na de Tweede Wereldoorlog was daardoor op het stadhuis nauwelijks plaats meer voor de berging van archief en kregen de secretarieafdelingen steeds meer moeite om stukken terug te vinden.[5] Buiten medeweten van de archiefdienst bedacht het gemeentelijke bureau voor Organisatie en Efficiency een oplossing. Een ambtelijke commissie onder hun leiding besloot in 1945 om het dossierstelsel van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in te voeren en de secretariearchieven over de periode 1928-1945 onder te brengen bij een nieuwe secretarieafdeling, het Documentatiebureau, en te bergen op de zolders van het hoofdgebouw van de Bank van Lening. Bovendien werd het plan afgewezen dat de archiefdienst in 1948 bij het gemeentebestuur indiende, om met minimale bouwaanpassingen het hele naastgelegen scholencomplex bij het archiefgebouw aan de Amsteldijk te trekken (zowel de Amsteldijkschool als de Pieter Aertszschool).
Toen op 1 januari 1950 een nieuwe gemeentearchivaris, W.F.H. Oldewelt, aantrad, waren de gemeentelijke secretariearchieven verspreid over vier lokaties: de stukken tot 1827 bevonden zich in het oud archief aan de Amsteldijk 67, de stukken uit de periode 1827 tot 1928 in het nieuw archief, verspreid over Herenmarkt 10-12 en drie ruimten van de Centrale Markthallen (Jan van Galenstraat; niet toegankelijk voor publiek), en de stukken 1928-1946 bevonden zich in de Bank van Lening (Oudezijds Voorburgwal 300). Oldewelt schakelde de provinciaal inspecteur in Noord-Holland in die na een bezoek aan deze lokaties in december 1950 een vernietigend rapport schreef over de brandgevaarlijke en wanordelijke toestand van het Amsterdamse archief. Dit had als resultaat dat de secretariearchieven 1928-1946 van de Bank van Lening naar de kelders van het voormalige diaconieweeshuis aan de Amstel 1 verhuisden, en dat de Gemeenteraad op 20 februari 1952 besloot een commissie ad hoc voor het Gemeentearchief in te stellen o.l.v. de burgemeester.
De commissie ad hoc boog zich over twee vraagstukken: maatregelen op de korte termijn om te voorkomen dat delen van het archief verloren zouden gaan en een definitieve oplossing voor de huisvesting van het archief op de langere termijn. De maatregelen op de korte termijn waartoe de commissie besloot behelsden de aanleg van centrale verwarming in het gebouw Herenmarkt ter vervanging van de brandgevaarlijke kolenkachels en het plaatsen van stellingen in de ruimten van de Centrale Markthallen, terwijl de helft van het in de Centrale Markthallen opgeslagen archief terugverhuisde naar de Herenmarkt. In het eindrapport van 3 juni 1953 (aanvaard door de Gemeenteraad op 8 juli) bepleitte de commissie nieuwbouw aan de Amsteldijk waarvoor de twee naastgelegen scholen gesloopt zouden moeten worden. Op 2 februari 1955 keurde de Gemeenteraad de voordracht van een nieuw plan voor nieuwbouw aan de Amsteldijk goed, maar in datzelfde jaar kondigde de regering een bouwstop voor overheidsgebouwen af omdat voorrang aan woningbouw moest worden gegeven.
Inmiddels had BenW op 19 september 1952 een commissie van advies inzake de archiefordening van Gemeentediensten en ¿bedrijven ingesteld met de gemeentearchivaris als voorzitter. De situatie die na de Tweede Wereldoorlog met de inmenging van het Documentatiebureau was scheefgegroeid kon nu in overleg worden rechtgezet. De commissie besloot het toezicht op het archiefbeheer van de gemeentelijke diensten en bedrijven aan de gemeentearchivaris toe te kennen (6 januari 1954), de gemeentelijke cursus tot scholing van het registratuurpersoneel in te stellen (18 maart 1955) en bereidde het besluit post- en archiefzaken voor (22 juni 1956). In afwachting van ministeriële goedkeuring om met de nieuwbouw te kunnen beginnen, kreeg de archiefdienst de beschikking over de tweede verdieping van het gebouw Ceres, een voormalige meelfabriek aan de Nieuwe Prinsengracht 55-63 (al in beeld als archiefdepot in 1952), waarheen in 1958 de archieven die in het gebouw Amstel 1 waren opgeslagen, verhuisden.
Goedkeuring voor de nieuwbouw aan de Amsteldijk werd verkregen in december 1960 nadat men de kans daarop had vergroot door het bouwplan in fasen op te splitsen. Fase I (1961-1964) behelsde de bouw van een nieuw archiefdepot aan de achterkant van het oude raadhuis (zijde Tolstraat). De archieven die in de Centrale Markthallen waren opgeslagen konden daardoor in 1964 naar de Amsteldijk worden overgebracht. In fase II (1967-1969) werd een nieuwe werkvleugel aan het hoofdgebouw gezet. In 1968 kon eindelijk het archiefgebouw Herenmarkt 10-12 opgeheven worden. Een deel van de archieven verhuisde naar de Amsteldijk, het grootste deel naar ruimten die extra beschikbaar waren gekomen in gebouw Ceres. Fase III (1971-1973) omvatte de restauratie van het oude raadhuis. Omdat de dienst nog steeds gebrek aan depotruimte had, werd in 1975 een opslagruimte in het voormalige papiermagazijn van de firma Proost en Brandt NV aan het Rusland 7-15 in gebruik genomen die niet toegankelijk was voor het publiek. Fase IV (1983-1985) van het bouwplan maakte een eind aan het ruimtegebrek met de bouw van twee nieuwe depots achter de bestaande bouw en een werkvleugel op de plaats van een voormalige tramremise (hoek Amsteldijk 58/ Rustenburgerstraat 15). In 1985 konden de depots in gebouw Ceres en aan het Rusland worden opgeheven.
De eerste archivaris van Amsterdam kreeg in zijn instructie van 1860 (inv.nr. 274) de volgende taken toebedeeld:
In het archief van de gemeentelijke archiefdienst bevinden zich twee archieven van stichtingen waarin de gemeentearchivaris ambtshalve zitting had: het Amsterdamse Archieffonds en het H.J. Duyvisfonds.
Het Amsterdamse Archieffonds werd op 18 mei 1983 opgericht met als doel gelden bijeen te brengen en te beheren waaruit aankopen kunnen worden gedaan ten behoeve van het Gemeentearchief Amsterdam in het algemeen en ten behoeve van de aldaar beheerde archieven en verzamelingen in het bijzonder, en daarnaast om aan de inhoud van de Amsterdamse archieven en verzamelingen een grotere bekendheid te geven.
Het H.J. Duyvis Fonds werd op 8 december 1960 opgericht met als doel het bevordenen van de totstandkoming van (wetenschappelijke) publicaties uit de stadsarchieven van Amsterdam.
In het ¿afgedwaald archief¿ (inv.nrs. 1295 en verder), ten slotte, bevinden zich (delen van) de nagelaten correspondentie en aantekeningen van onderzoekingen in de Amsterdamse archieven van de opeenvolgende gemeentearchivarissen. Het betreft een mengeling van persoonlijke archiefbescheiden, bescheiden die door de betreffende gemeentearchivaris ambtshalve zijn opgemaakt, en ingekomen stukken die in het archief van de archiefdienst thuishoren.
De sleutel tot het archief van het Gemeentearchief zijn de correspondentieseries die vanaf 1914 centraal werden aangelegd. De ongenummerde correspondentie van vóór 1914 is bij eerdere inventarisaties gebundeld naar soort (zie inv.nrs. 3-31, 632 en 763-770). Tussen 1914 en 1928 gebruikte men één hoofdserie van genummerde ingekomen stukken (inv.nrs. 32-58) waarop indicateurs zijn gemaakt. Uit deze serie zijn ingekomen stukken gelicht ¿ vermoedelijk op een later tijdstip - om ze in subseries naar soort gevraagde inlichtingen onder te brengen (zie inv.nrs. 774-849, 854-883 en 884-892). Vanaf 1929 maakte men gebruik van drie hoofdseries die in aparte rubrieken in de indicateurs werden opgenomen: de serie Algemene Zaken, afgekort AZ (1929-1983; inv.nrs. 64-152), de serie Aanwinsten en Verliezen, afgekort AV (1929-1953; inv.nrs. 521-545) en de serie Inlichtingen, afgekort I (1929-1985; inv.nrs. 912-1094). In 1950 legde men korte tijd een vierde hoofdserie aan (die ook als vierde rubriek in de indicateurs voorkomt): de serie Algemene Zaken ter attentie van de administratie, afgekort AZa (1950-1952; inv.nrs. 153-155). Al vanaf het begin van de serievorming zijn regelmatig stukken uit de series gelicht waarmee dossiers werden gevormd, die vermoedelijk door de gemeentearchivaris zelf werden aangelegd ten behoeve van zijn beheerstaak. Bijgevolg zijn de correspondentieseries niet compleet.
Halverwege de jaren '80 stapte de archiefdienst over op een zaaksgewijze ordening van de correspondentieserie Algemene Zaken terwijl de serie Inlichtingenbrieven als serie bleef bestaan. De AZ-serie werd nu geordend in dossiers volgens een zelfbedachte code, die sindsdien door verschillende andere ordeningscodes is vervangen. Bovendien heeft men getracht dossiers te 'complementeren' door met terugwerkende kracht stukken uit de AZ-serie toe te voegen.
Het archiefblok tot en met 1990 van het Gemeentearchief is niet compleet. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te wijzen: het bij perioden slecht bijhouden van de administratie, het ontbreken van doelmatige registratuurplannen gedurende een groot deel van de geschiedenis van het archief, het onbewust of bewust door archiefmedewerkers in persoonlijk beheer houden van voor de organisatie belangrijke stukken, die vervolgens zoekraakten bij verhuizingen van de dienst of vertrek van de medewerker. In de financiële administratie bevinden zich enkele hiaten zoals de begrotingen van vóór 1896 en de journalen over de periode 1947-1956. De jaarverslagen bevinden zich niet in het archief, deze zijn te vinden in de bibliotheek van de archiefdienst. Permanent te bewaren personeelsdossiers van na 1942 ontbreken in deze inventaris.
De verwerving en vervreemding van archieven en verzamelingen is verschillend geadministreerd in verschillende perioden waardoor onderzoek naar de herkomst van collecties in het Gemeentearchief wordt bemoeilijkt. Vóór 1929 zijn incidentele dossiers van aankopen, verkopen en overbrengingen aangelegd, en naar men moet vrezen zijn sommige aanwinsten in het geheel niet vastgelegd. In de periode 1929-1953 werden alle inkomende en uitgaande stukken betreffende verwerving en vervreemding in de correspondentieserie Aanwinsten en Verliezen (inv.nrs. 521-545) opgenomen. Nadien administreerde iedere afdeling binnen de archiefdienst zijn eigen aanwinsten en verliezen. Voor de archieven werden de zog. AVO-dossiers (inv.nrs. 571-583) aangelegd, van de andere afdelingen (Historisch-topografische atlas, Bibliotheek, en Beeld en Geluid) bevindt zich nauwelijks documentatie van de herkomst van de collectie in deze inventaris.
In het algemeen zal men weinig 'beleid' terugvinden in het archief. De eerste beleidsnota dateert uit 1976 (inv.nr. 267). Van de taken die aan de archiefdienst zijn opgelegd, vindt men als neerslag voornamelijk de 'producten' terug, zoals beantwoorde inlichtingenverzoeken (externe dienstverlening), registers die incidenteel door archiefpersoneel zijn aangelegd (ontsluiting) of persvoorlichting van de tentoonstellingen die door de archiefdienst zijn georganiseerd (educatieve activiteiten).
De selectie van vernietigbare stukken vond plaats op grond van de Lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeente-archieven (Staatscourant van 20 december 1983, nummer 247). Het betrof men name voor kennisgeving aangenomen stukken (zoals ingekomen circulaires), hulpadministraties (zoals uitleenbriefjes van de archiefdepots), dubbelen, boekhoudkundige bescheiden (zoals rekeningen en kwitanties) en salarisadministratie. Voor de periode van de Tweede Wereldoorlog geldt hierop een uitzondering. Van deze periode zijn ¿ in principe vernietigbare - boekhoudkundige bescheiden zoals de registers van verschuldigde leges (inv.nrs. 347-364 en 400-402) en rekeningen en kwitanties (inv.nrs. 403-412) bewaard.
Bij aanvang van de inventarisatie bedroeg het deels geschoonde archief ongeveer 100 strekkende meter, waarvan een kwart reeds eerder was geïnventariseerd en toegankelijk gemaakt via een kaartsysteem. Deze eerdere inventarisatie is verwerkt in de nieuwe inventaris. Na bewerking bedraagt het archief nu ca. 58 meter.
[1] Pas in 1919 wordt het Gemeentearchief een afzonderlijke gemeentedienst. Ten tijde van Scheltema sprak men van ¿het Archief, waaronder verstaan wordt de gedrukte en geschreven stukken op de geschiedenis en het bestuur der Stad betrekking hebbende¿ onder toezicht van de stadsarchivaris (zie het Reglement omtrent de toegang tot het Archief uit 1864, inv.nr. 252). In de tweede helft van de 19e eeuw treft men daarnaast zowel de benamingen ¿het Oud Archief der Gemeente Amsterdam¿ (in het Reglement voor het bezoek en gebruik uit 1878, inv.nr. 252) als ¿het Gemeente-Archief¿ onder toezicht van de ¿Gemeente-archivaris¿ aan (o.a. in de Verordening op het Archief van 1887, inv.nr. 253). Begin 20e eeuw komt men in officiële stukken ook nog de term ¿Stadsarchief¿ tegen (o.a. in de instructie voor de archiefbeambte uit 1913, inv.nr. 274). De meest voorkomende benaming luidt simpelweg ¿het Archief¿, eventueel met de toevoeging ¿der stad Amsterdam¿. Tussen 1918 en 1952 noemt de archiefdienst zich ¿Gemeente-archief¿, in de periode 1953-1985 ¿Gemeentelijke Archiefdienst¿, en nadien ¿Gemeentearchief Amsterdam¿, afgekort GAA.
[2] De historisch-topografische atlas van Amsterdam werd in 1878 officieel door het Gemeentearchief aangelegd (zie B. Bakker, Ons Amsterdam 30 (1978), 296-297). Het jaarverslag over 1878 vermeldt dat op 23 april aan de adjunct-archivaris ¿machtiging werd verleend [om] aan het Gemeente-archief een historische atlas van Amsterdam bijeen te brengen, waarmede hij bereids een begin heeft gemaakt.¿ De atlas bestond in eerste instantie uit de verzameling oude kaarten ten stadhuize en aankopen door Scheltema.
[3] Het Koninklijk besluit van 23 augustus 1907 (Staatsblad no. 237) creëerde de mogelijkheid voor rijksarchivarissen om de notariële archieven tot 1811 die wettelijk in archiefbewaarplaatsen van het rijk thuishoorden, onder bepaalde condities aan gemeenten in bewaring te geven.
[4] Met de invoering van de nieuwe Archiefwet werd ook de verdeling van archieven over archiefbewaarplaatsen van rijk, gemeenten en waterschappen geregeld. De Koninklijke Besluiten van 28 augustus 1919 (Staatsblad no. 546 en 547) maakten de bewaargeving aan gemeenten van de notariële archieven 1811-1842 en de rechterlijke archieven 1811-1838 mogelijk, mits gemeenten over ¿doelmatige archieflokalen¿ beschikten. Amsterdam wilde deze archieven graag ontvangen maar moest dan wel over depotruimte beschikken. De bewaargeving van de kerkelijke doop-, trouw- en begraafregisters van Amsterdam tot 1811 en de oude schepentrouwboeken die bij Koninklijk Besluit van 20 juni 1919 (Staatsblad no. 389) rijkseigendom waren geworden, werd in 1920 formeel geregeld met de rijksarchivaris van Noord-Holland namens het Rijk. Deze archivalia waren sinds 1892 feitelijk al in het beheer van het archief gekomen.
[5] De ambtenaren van de secretarieafdelingen waren gewend om het bij elkaar zoeken van stukken die tot één zaak behoorden aan de archiefmedewerkers van het nieuw archief over te laten, die daarvoor behalve de indicateurs ook door henzelf aangelegde ¿registers van afgegeven stukken uit het administratief archief¿ gebruikten (inv.nrs. 490-498).
- ¿Archiefstukken. Het Gemeentearchief Amsterdam honderdvijftig jaar¿, Amstelodamum 85 (1998). Themanummer met artikelen geheel gewijd aan het GAA.
- Jaarverslagen van het Gemeentearchief. Handgeschreven jaarverslagen van de gemeentearchivaris uit de periode 1870-1883 zijn opgenomen in het archief (inv.nr. 246), gedrukte jaarverslagen bevinden zich in de bibliotheek van het Gemeentearchief.
- W.J. van Hoboken, ¿Het verdeelde archief. Een terugblik¿, Gemeentearchief Amsterdam, 1991.
- W.Chr. Pieterse, ¿Van charterkast tot gemeentearchief. Zeven eeuwen Amsterdams archiefbeheer¿, Ons Amsterdam 31 (1979), 254-260.
Dr. P. Scheltema
Tijdelijk dienstverband sinds 1842 (met onderbrekingen)
Vaste aanstelling in 1848
Gemeentearchivaris van 7 april 1848 tot 31 januari 1885
Mr. N. de Roever
Vaste aanstelling in 1877
Adjunct-archivaris in de periode 1877-1885
Gemeentearchivaris van 1 maart 1885 tot 11 maart 1893
Mr. W.R.Veder
Tijdelijk dienstverband sinds 1886
Vaste aanstelling in 1887
Adjunct-archivaris in de periode 1892-1893
Gemeentearchivaris van 1 mei 1893 tot 1 mei 1922
Dr. Joh.C. Breen
Volontair sinds 1894
Vaste aanstelling in 1897
Adjunct-archivaris in de periode 1898-1922
Gemeentearchivaris van 1 mei 1922 tot 7 maart 1927
Mr. A. le Cosquino de Bussy
Vaste aanstelling in 1928
Gemeentearchivaris van 1 februari 1928 tot 1 januari 1950
Mr. W.F.H. Oldewelt
Vaste aanstelling in 1925
Adjunct-archivaris in de periode 1927-1950
Waarnemend gemeentearchivaris van maart 1927 tot 1 februari 1928
Gemeentearchivaris van 1 januari 1950 tot 1 januari 1961
Mevr.dr. I.H. van Eeghen
Volontair sinds 1941
Vaste aanstelling in 1944
Adjunct-archivaris in de periode 1951-1978
Dr. W.J. van Hoboken
Vaste aanstelling in 1941
Adjunct-archivaris in de periode 1959-1960
Gemeentearchivaris van 1 januari 1961 tot 1 januari 1974
Dr. S. Hart
Volontair sinds 1929
Vaste aanstelling in 1937
Adjunct-archivaris in de periode 1961-1973
Gemeentearchivaris van 1 januari 1974 tot 1 april 1976
Mr. J.H. van den Hoek Ostende
Volontair sinds 1956
Vaste aanstelling in 1957
Adjunct-archivaris in de periode 1974-1992
Mevr.dr. W.Chr. Pieterse
Tijdelijk dienstverband sinds 1955 (met onderbrekingen)
Vaste aanstelling in 1965
Gemeentearchivaris van 1 april 1976 tot 5 november 1998
Drs. P.H.J. van der Laan
Volontair sinds 1965
Vaste aanstelling in 1967
Adjunct-archivaris in de periode 1978-1993