518
1550 - 1970
De familie is oorspronkelijk uit Bremen afkomstig. De stamvader Niclaus Horn, later Nicolaas van Hoorn genaamd, vestigde zich in Amsterdam waar hij te boek staat als een drogist en vooraanstaand koopman. Hij dreef handel op Italië en de Levant. Hij was getrouwd met Gesina van Estel, wier vader in 1679 in Amsterdam overleed. Nicolaas zette de toon voor de verdere familie: men bleef generatie na generatie handelaar en industrieel.
In de 18de eeuw was de familie in de stad ingeburgerd; de heren huwden de dochters van vooraanstaande families en men werd lid van het stadsbestuur; een enkeling mengde zich in de nationale politiek.
Men belegde zijn geld in landerijen en effecten. De 18de eeuwse generaties hielden zich actief met de handel bezig. Men bezat een tweetal buskruitmolens en een suikerraffinaderij op het Amsterdamse eiland Marken.
De generaties in de 19de eeuw oefenden niet meer zelfstandig een bedrijf uit maar waren ambtenaar in dienst van de stad of van het land. De laatste generatie begaf zich in de diplomatieke dienst (1).
In vogelvlucht zullen hieronder het leven en het werk van de belangrijkste representanten van iedere generatie aan de orde komen.
De broers gingen in 1697 met elkaar een compagnieschap aan. Zij stortten hun ouderlijk erfdeel in een firma die onder hun beider naam opereerde (2).
De firma handelde op de Levant en was van 1710 tot 1720 eigenaar van de Nederlandse volksplanting Berbice in West Indië. Tevens verwierf zij in 1710 een suikerraffinaderij op het Amsterdamse eiland Marken.
Met geld van hun moeder werd in 1707 de helft van de buskruitmolen nr. 8 bij Utrecht aangekocht van Wessel Smits. De andere helft was in het bezit van diens broer Pietro, die de molen bleef exploiteren. De verstandhouding tussen Pietro Smits en de Van Hoorns verslechterde echter al spoedig. In 1713 besluit de firma Pietro's aandeel in de molen op te kopen.
In 1729 stierf Nicolaas. Hij was ongehuwd. Hendrik veranderde de firmanaam in 'Hendrik van Hoorn en zonen'. Hij zal waarschijnlijk niet meer actief bij de firma betrokken zijn geweest toen deze in 1742 de buskruitmolen nr. 3 bij Ouderkerk van N. Calkoen c.s. aankocht.
Hendrik was in 1697 kanunnik van het Kapittel van Oud Munster te Utrecht en in 1703 kerkmeester van de Amstelkerk. Hij trouwde met Cornelia J. Oetgens van Waveren, bij wie hij negen kinderen kreeg.
De oudste zoon kreeg in 1717 zijn doctorsbul van de universiteit te Utrecht. Hij ambieerde echter geen wetenschappelijke carrière maar trad in de voetsporen van zijn vader. Na diens dood erfde hij de helft van de suikerraffinaderij en van de buskruitfabrieken. Voorts was hij directeur van de geoctroieerde kolonie De Berbice. In 1720 huwde hij de Delftse regentendochter Catharina van Beaumont. Zij stierf op 33 jarige leeftijd in het kraambed, na de geboorte van hun zevende kind. Nicolaas hertrouwde in 1742 met een 19 jaar jongere Amsterdamse, Anna Catharina Muilman, die hem nog een zoon baarde.
De familie woonde op de Herengracht en Nicolaas' jaarlijkse inkomen werd op f 6.000 à f 7.000 geschat.
In 1748 stierf hij 'latende meede eene seere schoone weeduwe Juffrouw Muylman en seer veel gelt & kinders na', zoals een tijdgenoot opmerkte (3).
De vierde generatie: Quirijn Willem (1730-1797), Hendrik Daniel (1731-1802) en Pieter Nicolaas (1743-1809)
Drie markante persoonlijkheden leverde deze generatie op. Van de oudste zoon Quirijn Willem wordt in de literatuur als voornaamste wapenfeit aangehaald dat hij de Poolse koning één miljoen gulden leende.
Het ging Quirijn Willem in vele opzichten voor de wind. Hij had vaste voet in het stadsbestuur: vanaf 1756 was hij achtereenvolgens commissaris, schepen en burgemeester. Als oud burgemeester viel hem in 1784 de eer te beurt om voor de stad Amsterdam als ambachtsheer op te treden van de heerlijkheden Leimuiden en Vriezekoop. De stad had deze in 1725 aangekocht opdat er bestuurlijke invloed op het naastliggende platteland verkregen zou worden. In haar naam werden oud burgemeesters als ambachtsheer benoemd.
Quirijn Willem was eveneens van 1770 tot 1784 respectievelijk Raad ter Admiraliteit in Zeeland en in 't Noorderkwartier. Quirijn hoefde niet te leven van de bezoldiging van zijn officiële functies. Het familiekapitaal was toereikend. Hij had mooi geërfd van zijn oom François Hendrik, onder andere de heerlijkheid Noordwijkerhout en Zilk en het huis Keizersgracht 706 dat de familie direct betrok. Zijn vader liet hem een aandeel in de buskruitfabrieken na dat hij vergrootte door het aandeel van zijn broer Pieter over te nemen.
In 1767 huwde hij zijn volle nicht Margaretha Alewijn. Na haar voortijdig overlijden kwam al haar geld in het bezit van Quirijn. Quirijns tweede vrouw was de Leidse Hiëronima J. Testart. Het echtpaar kreeg zeven kinderen, van wie er twee jong stierven.
Als overtuigd patriot werd hij in 1787 uit het ambt van secretaris van de hoofdschout gezet, dat hij vanaf 1754 had bekleed. Hij nam de wijk naar Parijs, waar hij verscheidene illustere patriotten leerde kennen. Net als zovelen van hen, liet hij daar zijn 'physionotrace' met het bovenschrift 'Patriote Hollandais' door de kunstenaar Quenedey graveren. Bij de vestiging van de Bataafse Republiek keerde hij naar Amsterdam terug en werd hij lid van de Municipaliteit. In 1798 werd hij tevens lid van de Nationale Conventie.
Hendrik Daniëls huwelijk met Ida E. Visscher bleef kinderloos. Hendrik Daniël stierf in 1802, een jaar na zijn vrouw. Hij liet een vermogen van f 332.329 na, dat hij na een lange reeks codicils uiteindelijk schonk aan zijn neven en nichten met uitzondering van één nichtje Johanna Th.G., die zich naar zijn mening had gemésallieerd.
De zoon uit Nicolaas Hendriks tweede huwelijk, Pieter Nicolaas, zal de familie ongetwijfeld een buitenbeentje hebben gevonden. Hij interesseerde zich namelijk voor de politiek noch voor de handel. Na een relatief korte ambtelijke carrière, besloot hij in 1789 een voor die tijd niet ongebruikelijke 'grand tour' te maken. Hij deed eerst Italië aan waar hij gesneden stenen begon te verzamelen. Vanaf 1797 is hij in Parijs te vinden. Daar bouwde hij zijn kunstverzameling verder uit. Bij zijn dood in 1809 memoreerden Franse kranten het kunstkabinet en de belangrijke bezoekers die Pieter Nicolaas in zijn huis ontving.
Pieter Nicolaas had bij testament bepaald dat zijn collectie openbaar verkocht moest worden. Op 20 maart 1810 leverde de veiling van zijn kunstkabinet zijn erfgenamen 174.712,30 Franse franken op (5).
Pieter Theodorus erfde samen met zijn broers en zuster het vermogen van zijn beide ooms; met het kapitaal dat zijn eerste en tweede vrouw ten huwelijk brachten, mocht hij zich tot één van de honderd rijkste ingezetenen van Amsterdam rekenen, met een jaarlijks inkomen uit eigen kapitaal van
f 25.000.
Uit alles blijkt dat Pieter Theodorus grote belangstelling had voor de boekhoudkundige administratie. Hij hield consciëntieus zijn eigen administratie bij. Vanaf 1797 was hij als penningmeester in stedelijke dienst werkzaam en na de totstandkoming van het Koninkrijk Holland was hij tot aan zijn dood stedelijk ontvanger (6).
Pieter Theodorus was met zijn 473/960 aandeel de grootste aandeelhouder in de beide buskruitfabrieken. Uit de nagelaten boeken blijkt dat hij ook hier orde op zaken stelde. Hij hield kantoor aan huis, waar hij samen met een administrateur de centrale administratie verzorgde en de boeken van de meesterknechten van de beide molens controleerde. Het rendement van de molens daalde in deze periode echter. Van 1795 tot 1814 was het verboden buskruit uit te voeren en hoewel in het midden van de 18de eeuw de Staten van Holland en West Friesland de grootste afnemers waren, kon men niet zonder de buitenlandse klandizie. Na Pieter Theodorus' overlijden fuseerden de buskruitfabrieken met een aantal andere Nederlandse fabrieken tot 'De Gezamenlijke Buskruitmakers van Noord Holland, Utrecht en Zeeland' (7). De familie bleef aandelen en obligaties in deze firma houden. Pieter Theodorus belegde zijn geld ook in onroerende goederen. Hij kocht de hofsteden 'Meer en Berg' en 'Molenduin' in Bloemendaal en landerijen rond de 'Ruïne van Brederode', die hij had gehuurd van de Nederlandse Staat, te Velsen.
Door zijn eerste huwelijk met Brigitta H.C. Pancras Clifford was hij in het bezit gekomen van het huis Herengracht 560, dat hij in 1838 verkocht om naar nummer 566 te verhuizen.
Een jaar na het overlijden in 1804 van zijn eerste vrouw trouwt hij in 's Gravenhage met Elisabeth M. Smissaert, die hem tien jaar zou overleven.
Lucien Gerard trouwde met zijn volle nicht Anna Maria van Hoorn. Door dit huwelijk kwam hij in het bezit van het huis op de Herengracht nr. 529, een boomgaard te Nieuwer Amstel en enkele percelen in de polder De Westbroek te Velsen. Zelf erfde hij van zijn vader enige percelen duingrond te Velsen en kocht hij de boerenhofsteden 'Hageveld' en 'Meer en Berg' te Velsen, enige percelen rond de Ruïne van Brederode en percelen in de gemeente en polder Haarlemmermeer.
Lucien Gerard werd in 1844 stedelijk ontvanger, als opvolger van zijn vader, bij wie hij al vijftien jaar op het bureau werkzaam was geweest (8).
Van Lucien Gerard zijn een groot aantal stukken bewaard gebleven die inzicht geven in de manier waarop hij zijn vrije tijd besteedde.
In een decennium waarin de bestudering van de vaderlandse geschiedenis mode was en zelfs een politiek item, werd het genootschap 'Patriae' opgericht: 'om de lange winteravonden zondags aangenaam door te brengen (...) en de Nederlandse geschiedenis te beoefenen'. Men luisterde naar een door één van de leden gehouden lezing en discussieerde over een door de leden ingebrachte stelling. Lucien trad in 1831 tot het genootschap toe. Zijn oudere broer Théophile was al eerder lid geworden.
Een aantal jaren later, in 1834, besluit men de vereniging in een andere vorm voort te zetten. De avonden werden voortaan niet meer doorgebracht met het bestuderen van de geschiedenis maar men komt nu uit vriendschap en gezelligheid bij elkaar. Eèn keer in het jaar organiseerde men een uitstapje. Men schrijft alleen nog verslagen van de excursies en de jubilea. Tot aan deze periode werden er reglementen gemaakt, hield de secretaris notulen bij van de zittingen en werd er in een register ingeschreven welke onderwerpen er aan de orde waren geweest en welke leden lezingen hadden gehouden of opstellen hadden geschreven.
Lucien Gerards andere hobby was van meer sportieve aard: de jacht. Om in een zo uitgestrekt mogelijk gebied de jacht te beoefenen, hadden een aantal personen in de 18de eeuw de bij Velsen gelegen 'Allodiale duinen' in gemeenschappelijk eigendom aangekocht. Men gaf honderd aandelen uit en men kon eigenaar worden van één of meer aandelen. De vereniging van eigenaren koos uit hun midden een drietal commissarissen die de lopende zaken behartigden.
Lucien Gerard had van zijn vader een aantal aandelen geërfd. Hij wierp zich eerst op als secretaris en later als commissaris. Lucien Gerard stak veel tijd in dit commissariaat. De vereniging was er niet op uit om winst te maken, maar tijdens Lucien Gerards zittingsperiode kon er jaarlijks een steeds groter wordend bedrag aan de leden worden uitgekeerd. Hij zorgde ervoor dat de duinen verpacht werden voor het weiden van vee, dat er aantekening werd gehouden van het gevangen ongedierte, dat men tegen betaling kon inleveren, dat er regelmatig hakhout werd verkocht. Zelf pachtte hij een perceeltje om vee te weiden. Van al deze activiteiten hield hij nauwgezet de boeken bij.
Eén van de reglementen van de vereniging luidde dat wanneer een aandeelhouder zijn aandelen van de hand wilde doen, deze eerst aan de commissarissen moesten worden aangeboden. De commissarissen droegen er zorg voor dat ze werden doorverkocht. Vaak werden er geen liefhebbers gevonden. De aandelen bleven dan of op naam van de commissarissen staan of werden onder de overige leden verdeeld. In 1860 resteerden er vier aandeelhouders. Zij besloten de vereniging op te heffen en de duingronden onderling te verdelen.
Als één van de commissarissen zal Lucien Gerard ook belast zijn geweest met het beheer van het archief. Dit archief is bij hem achtergebleven.
Het gedeelte van de duinen dat Lucien wist te bemachtigen legde hem geen windeieren. Juist in dat gedeelte wilde de Hollandse Spoorweg Maatschappij de lijn Amsterdam/IJmuiden aanleggen. Men bood veel geld voor de overname van het land en voor het afgraven daarvan.
Op hoge leeftijd werd hij, na jaren bestuurslid te zijn geweest, voorzitter van het genootschap 'Natura Artis Magistra'. In deze functie mocht hij het 50 jarig jubileum organiseren.
Een jaar later stierf hij op 77 jarige leeftijd. Zes van zijn zeven kinderen woonden toen nog bij hem thuis. Op Elisabeth en Pieter Theodorus na bleven ze ongehuwd.
De akte die opgemaakt werd bij het huwelijk tussen Pieter Theodorus en Johanna Schouwenburg vermeldt als beroep van Pieter Theodorus 'Commies bij de Hollandse Spoorweg Maatschappij' (9). Er zijn geen aanwijzingen dat hij na zijn huwelijk in dit beroep werkzaam bleef; dat was ook niet noodzakelijk want hij huwde een telg uit een zeer rijke familie en in 1889 erfde hij van zijn vader verscheidene onroerende goederen zodat hij zich als grootgrondbezitter mocht beschouwen.
Pieter Theodorus trok zich niet geheel uit het Amsterdamse maatschappelijke leven terug. Hij was zowel enige tijd secretaris van de 'Vereniging tot bevordering van het Christelijk Schoolonderwijs' als lid van het bestuur van de 'Vereniging tot werkverschaffing aan hulpbehoevende blinden' (10).
Pieter Theodorus kreeg een zoon en een dochter. Hij stierf in 1922. Zijn vrouw Johanna overleed in 1950 op hoge leeftijd.
In 1912 werd hij aangenomen, eerst nog buiten bezwaar van 's lands schatkist. Lucien Gerard begon zijn diplomatieke loopbaan als gezantschapsattaché in Parijs. Via steeds in belangrijkheid oplopende posten in Japan, Roemenië, Denemarken, Italië en de Verenigde Staten eindigde hij tenslotte als ambassadeur van de gecombineerde post Oostenrijk en Hongarije.
Na de Tweede Wereldoorlog deed Buitenlandse Zaken geen beroep meer op zijn diensten en werd hij eervol ontslagen. Daarna hield hij zich onledig met het schrijven van enkele boeken, onder andere een levensbeschrijving van de componist Jacob Obrecht.
Lucien Gerard was in 1932 met een Amerikaanse, Katharine Phillips, getrouwd, een huwelijk dat kinderloos bleef. In 1942 scheidde het echtpaar. Lucien Gerard stierf in 1970.
Bij het archief van de familie Van Hoorn werd ook het archief van de administrateuren van het legaat J. van Hove van Zijll aangetroffen.
In 1647 had Jacob van Hove van Zijll in een codicil vastgelegd: '(...) wettelijke descendenten van juffrouw Alida van Hove ende Frans Hendrikse Oetgens, zijne comparants Moeije, welker getal zo vermeerderd, dat hij Comparant bij sommigen decadentie is vreezende, en indien de goede God, zulks kwame te verhoeden; dat de voornoemde Neeven [bedoeld zijn de executeurs testamentair], met 't inkomen van 't voorschreven Huis [het woonhuis van Jacob van Hove van Zijll aan de Warmoesstraat, De Witte Hond genaamd], 't Capitaal zullen augmenteren ende vermeerderen, omme met renthen van dien namaals liberaalder onder den behoeftigen te kunnen deylen (...) '. Jacob van Hove van Zijll besliste eveneens dat er steeds drie afstammelingen het beheer over het fonds moesten voeren (11). Vanaf Nicolaas Hendrik (1698 1768) tot en met Quirijn Willem (1822 1855) is een lid van de familie Van Hoorn als één van de beheerders aangesteld geweest.
Begin 1951 kwam de inboedel van het pand Herengracht 529 in Amsterdam onder de hamer. Vanaf 1819 hadden drie generaties van de familie dit huis bewoond. De toenmalige adjunct archivaris van de gemeentelijke archiefdienst Mej. I.H. van Eeghen kende de laatste bewoonster Maria Lucia, bij wie ze wel over de vloer kwam. Zij vermoedde dat er nog een groot deel familiearchief bewaard moest zijn en inderdaad trof zij bij haar laatste bezoek voordat de inboedel werd geveild een groot aantal in kisten verpakte stukken op zolder aan (12).
Het gemeentearchief kon het archief niet direct verwerven. Lucien Gerard, de enige zoon van Maria Lucia's broer Pieter Theodorus kreeg het in zijn bezit. Hij interesseerde zich ervoor en bracht een zekere ordening aan, waarbij hij zich liet adviseren door de directeur van de Archives Nationales de France. Hij wikkelde de stukken in omslagen of stopte ze in enveloppen en codeerde deze volgens dit schema. In de praktijk kwam het er echter op neer dat hij alles op de gevonden naam van de familieleden ordende, zonder zich te bekommeren om de eigenlijke bestemming van het stuk.
Lucien Gerard deed geen poging de stukken te beschrijven. Tijdens zijn leven had hij met de gemeentelijke archiefdienst afgesproken dat hij het archief zou legateren. Daarbij werden er door hem geen beperkingen aan de openbaarheid van de stukken gesteld.
In de correspondentie met B & W over de aanneming van het legaat oordeelde de gemeentearchivaris: '[...] dit archief is van historisch belang en [de gemeentearchivaris] is van oordeel dat het zeer goed past in de reeds aanwezige archieven van aanzienlijke Amsterdamse families.'
Het basisschema van het archief is als volgt:
1.Stukken betreffende afzonderlijke leden van de familie Van Hoorn
2.Stukken betreffende de aanverwante families
3.Stukken betreffende vererfde bezittingen
4.Verzamelde stukken
5.Stukken waarvan het verband met het archief niet kon worden vastgesteld (13).
Het archief is opgebouwd uit stukken die oorspronkelijk om hun bewijsfunctie of als memoranda bewaard zijn gebleven. Anders dan bij veel familiearchieven spelen de meer persoonlijke stukken als brieven en pennevruchten in dit archief een minder prominente rol.
Ad 1.
De indeling is generatiegewijs. De stukken zijn niet onderverdeeld naar de echtelieden afzonderlijk maar zijn per echtpaar geordend; de archivalia van de echtgenote en echtgenoot zijn dus niet beschouwd als aparte archiefbestanddelen. Dit heeft een tweetal redenen. Ten eerste zijn er verschillende soorten stukken die zowel bij de één als bij de ander kunnen worden gevoegd zoals bijvoorbeeld mutuele testamenten, akten van huwelijkse voorwaarden. Ten tweede zou zo'n onderverdeling de presentatie van de inventaris niet ten goede komen omdat er van veel echtelieden maar enkele stukken bewaard zijn gebleven.
De stukken zijn chronologisch geordend. Wanneer de duidelijkheid dat gebood, werden de stukken in een aantal sub rubrieken onderverdeeld. Dit leverde het volgende ordeningsschema op:
A.Stukken van algemene aard
B.Stukken betreffende het privéleven: personalia, financiën, bezittingen
C.Stukken betreffende het maatschappelijke leven, naar functie onderverdeeld
D.Stukken betreffende de nalatenschappen.
Niet alle sub rubrieken komen echter bij ieder echtpaar voor. Door het plaatsen van de nalatenschapsstukken bij de overledene wordt tegen het structuurbeginsel gezondigd. Het ordenen van de stukken bij de executeurs testamentair zou de onderzoeker echter nodeloos veel zoekwerk kosten. Als noodgreep moet het inbrengen van de categorie 'Stukken die niet aan een bepaald familielid konden worden toegeschreven' worden beschouwd. Deze stukken zijn wel degelijk ooit door één van de familieleden ontvangen of opgemaakt; de stukken geven echter niet voldoende informatie wie van de Van Hoorns dit geweest is. Als voorbeeld mag de stapel gekopieerde gedichten en prozastukken dienen. Deze zijn ongesigneerd en ongedateerd maar gezien de ordening bij andere stukken van leden van het gezin Pieter Theodorus en Elisabeth zijn ze naar alle waarschijnlijkheid van dit gezin afkomstig; het is niet echter exact aan te geven wie de stukken precies heeft geschreven of ontvangen. Om deze stukken niet weg te stoppen in de categorie 'Stukken waarvan het verband niet kon worden aangetoond' is gekozen voor deze oplossing.
Ad 2.
Deze zijn op volgorde van het moment waarop zij geparenteerd raken met de familie Van Hoorn.
Ad 3.
In overeenstemming met de definitie van archiefbescheiden zijn de stukken zowel mogelijk geplaatst bij het familielid die deze heeft ontvangen of opgemaakt. Zo is de koopakte van een landgoed geordend bij degene die het goed heeft aangekocht. Er zijn echter stukken die niet bij één bepaald familielid te ordenen zijn. Sommige onroerende goederen bleven meerdere generaties in de familie. In een enkel geval verdeelde men het erfdeel niet maar beheerde men het in gezamenlijk eigendom. Zo ook de firma 'Hendrik Van Hoorn en Zonen', die niet alleen een aantal generaties in het bezit van de familie was maar die ook beheerd werd door een aantal familieleden. Voor dergelijke stukken werd de rubriek 'Vererfde bezittingen' ingesteld.
Ad 4.
Van bijna iedere generatie van de familie Van Hoorn was wel iemand geïnteresseerd in de genealogie en de heraldiek. Dit leverde een grote verzameling genealogieën en wapentekeningen op. In een enkel geval legde een familielid een dossier aan over de familiegenealogie waarin zich bijvoorbeeld ook ingekomen brieven van amateur genealogen bevinden. Deze dossiers zijn geordend onder de archiefvormer. Los van de door de familie verzamelde genealogieën staat de collectie van Simon Emtinck (14). Door handschrift vergelijking konden een groot aantal registers en stukken aan hem worden toegeschreven. Het is niet duidelijk of deze collectie door vererving, aankoop of anderszins in de familie terecht is gekomen.
Deze rubriek bestaat verder uit de sub rubrieken 'tekeningen en prenten', 'boeken en handschriften' en 'documentatie'. Laatstgenoemde sub rubriek bevat alles wat de familie verzamelde ter bestudering van de geschiedenis van de eigen familie en haar bezittingen. Ook de stukken die de familie uit een bepaalde interesse verzamelde zijn hieronder geordend. De inventarisator heeft, wetend in strijd met het bestemmingsbeginsel te handelen, zich de vrijheid veroorloofd om de stukken, die bij het overdragen van het archief aan de Gemeentelijke Archiefdienst door de adjunct archivaris zijn opgemaakt, zoals correspondentie over de overdracht, een magazijnlijst, interne notities e.d. (eigenlijk behorend tot het archief van de archiefdienst) en die sinds de overdracht bij het familiearchief zijn opgeborgen, bij de sub rubriek documentatie onder te brengen.
Ad 5.
Er is getracht alle stukken bij een hoofdrubriek onder te brengen. Helaas kon van een aantal stukken het verband met het archief niet worden vastgesteld.
De beschrijvingen van de archiefbescheiden van het fonds 'Van Hove van Zijll', van de 'Vereniging van de gezamenlijke eigenaren van de Allodiale Duinen' en van het 'Genootschap Patriae' zijn aan het eind van deze inventaris opgenomen.
1) De gegevens voor de inleiding zijn, behalve aan de bewaard gebleven stukken, ontleend aan de volgende literatuur:
I.H. van Eeghen, 'Het huis Keizersgracht 706 en haar bewoners', Jaarboek Amstelodamum 52 (1955), 128-137 Vier eeuwen Herengracht (Amsterdam 1976)
J.E. Elias, De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795, 2 delen (Amsterdam 1963), deel II, 332-335, nr. 107
In: Nederland's Patriciaat, eds. D.G. van Epen e.a., 42 (1956), 154-160, wordt de genealogie van de familie Van Hoorn gegeven.
2) Notariële archieven nr. 5649 (notaris J. Schrick) fol. 398
3) De Amsterdamse chroniqeur Jacob Bicker Raye; zie Elias (noot 1), 333
4) Notariële archieven nrs. 14255-14276 (notaris H.D. van Hoorn)
5) Zie ook de door Lucien Gerard geschreven biografie, inv. nr. 226
6) Over Pieter Theodorus en zijn opvolgers: Th. Schweiger, 'Acht gemeenteontvangers in successie', Ons Amsterdam 19 (1967), 306-309
7) Zie G. de Bruin, Bijdrage tot de geschiedenis der buskruitfabricatie in Nederland (Amsterdam 1942-1943) 5-9
8) Zie noot 6
9) Burgerlijke Stand, Huwelijksregister 1887 nr. 3 fol. 26
10) In de Naamwijzer en adresboek der leden van het bestuur van Amsterdam en van de gemeente en staatsambtenaren (...) (1891-1892), 183 wordt Pieter Theodorus voor de eerste keer vermeld als lid van het bestuur van de 'Vereeniging tot werkverschaffing aan hulpbehoevende blinden'. Dit lidmaatschap duurde tot 1901/1902. De adresboekjes van 1893/94-1900/01 vermelden Pieter Theodorus als secretaris van de 'Vereeniging tot bevordering van Christelijk Schoolonderwijs' voor de stad Amsterdam. Hij bleef tot 1905 lid van het bestuur.
11) Arch. 225 (Familiearchief Heshuysen), inv. nr. 518: een notitie van H. Heshuysen over het beheer van het fonds en een afschrift van het codicil van J. van Hove van Zijll
(12) I.H. van Eeghen, 'Herengracht 529: het huis van de familie Van Hoorn', Maandblad Amstelodamum, 38 (1951), 33-35
(13) Het ordeningsschema is gebaseerd op de schema's zoals die gegeven zijn in het artikel van J.A.A. Bervoets e.a., 'Het conglomeraat ontward: aanwijzigingen voor het inventariseren van familiearchieven', Nederlands Archievenblad 88 (1984), 193-233 en de opmerkingen van A. den Teuling, typeschrift 1984, uitgereikt op de Rijksarchiefschool. Sommige stukken zijn in meerdere exemplaren aanwezig. In overleg met de archivaris zullen deze stukken of vernietigd of aan de bibliotheek overgedragen worden.
14) Simon Emtinck (1674 te Amsterdam 1752 te Amsterdam). Hij trouwt in 1718 met Catharina van Papenbroeck. In de ondertrouwakte wordt zijn beroep omschreven als 'Hooft Ballieu van de Loosdrecht' (DTB 554, p. 338).
Uit dit huwelijk:
1.Nicolaas (1669 1729)
2.Hendrik, volgt II
Uit dit huwelijk:
1.Nicolaas Hendrik, volgt III
2.Cornelia (1700 1723)
3.Gesina Wilhelmina (1702 1766) x Daniël de Dieu (1696 1765)
4.Johannes Jacobus (1703)
5.Anthony Pieter (1705)
6.Jacoba Anna (1707 1766) x Abraham Alewijn (1707 1755)
7.Willem (1708 1734) x E.N.B. Oetgens van Waveren (1707 1774)
8.Anthony (1710)
9.François Hendrik (1712 1793) x Eduardina B. de Backer (1712 1774)
III.Nicolaas Hendrik (1698 1768) trouwt met
1.Catharina van Beaumont (1706 1739)
2.Anna C. Muilman (1717 1770)
Uit het eerste huwelijk:
1.Cornelia Nicoletta Henriëtta (1727 1753)
2.Quirijn Willem, volgt IV
3.Hendrik Daniël (1731 1802) x Ida Everdina Visscher (1742 1801)
4.Abraham Nicolaas (1733 1734)
5.Wilhelmina Françoise (1735 1788) x W. Beeldsnijder (1740 1806)
6.Jacoba Catharina (1736 1757)
7.Christina Gesina (1739 1805) x 1. Daniël J. Strick van Linschoten (1729 1776), 2. L. de With Hoevenaar (??)
Uit het tweede huwelijk:
1.Pieter Nicolaas (1743 1809)
IV.Quirijn Willem (1730 1797) trouwt met
1.Margaretha Henriëtta Alewijn (1737 1769)
2.Hiëronyma Johanna Testart (1749 1817)
Uit het tweede huwelijk:
1.Pieter Hendrik (1772)
2.Ida Henriëtta (1773 1788)
3.Pieter Theodorus, volgt Va
4.Wilhelmina Jacoba (1776 1853) x H. Bicker (1777 1834)
5.Johanna Theodora Geertruida (1777 1807) x François Poulon d'Alix (1770?)
6.Nicolaas Daniël (1778)
7.Quirijn Willem, volgt Vb
Va.Pieter Theodorus (1774 1842) trouwt met
1.Bregitta H.C. Pancras Clifford (1775 1804)
2.Elisabeth M. Smissaert (1777 1852)
Uit het eerste huwelijk:
1.Brigitta Wilhelmina Jacoba Gerbrandina (1797 1840) x 1. Anthony van den Bergh (1797 1819), 2. Willem Blaauw (1792 1870)
2.Johanna Theodora Constantia (1798 1853) x C.G.G. Graafland (1798 1873)
3.Henriëtta (1800 1860) x Johann C.A.F. Holzapfel (1812 1843)
4.Willem Hendrik (1802 1849)
Uit het tweede huwelijk:
1.Agatha Elisabeth (1806 1869)
2.Carel Theodorus (1807 1861)
3.Theophile (1808 1870)
4.Quirijn Hyppolite (1810 1887)
5.Lucien Gerard, volgt VI
6.Hendrik Willem Constantijn (1814 1886)
7.Hendrik Jacob (1818 1865) x Cornelie C.T. Tervile (1835 1867)
Uit dit huwelijk:
1.Anna Maria (1820 1880) x Lucien Gerard van Hoorn (1812 1889)
2.Quirijn Willem (1822 1890) x F.W.L. Gross (1832 1913)
Uit dit huwelijk:
1.Willemina Maria (1853 1929)
2.Elisabeth Maria (1854 1927) x P.A. van der Mersch (1844 1912)
3.Maria Lucia (1856 1950)
4.Willem Hendrik (1858 1916)
5.Pieter Theodorus, volgt VII
6.Pierre Herbert Theophile (1862 1931)
7.Herbertine Christine (1864 1938)
Uit dit huwelijk:
1.Lucien Gerard (1888 1970) x Katharina Philips (1910?) (gescheiden in 1942)
2.Catharina Elisabeth (1891 1970)