483.A: Begraafregister van De Nieuwe Oosterbegraafplaats

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

483.A

Periode:

1935 - 1992

Inleiding

Aanleg en uitbreidingen

De voorlopers: Ooster- en Westerbegraafplaats

In 1860 werd de Westerbegraafplaats ter hoogte van de huidige Westzaanstraat en in 1866 de Oosterbegraafplaats tussen de Singelgracht en het Oosterpark geopend. Door de bevolkingstoename in het laatste kwart van de 19e eeuw was de capaciteit van deze begraafplaatsen al snel onvoldoende en in ruimte voor uitbreiding was niet voorzien. Op 1 mei 1894 werden de Ooster- en Westerbegraafplaats gesloten.

Aanleg van de Nieuwe Oosterbegraafplaats

Op dezelfde dag als de Ooster- en de Westerbegraafplaats werden gesloten, werd de Nieuwe Oosterbegraafplaats geopend in het polderland van de toen nog zelfstandige gemeente Watergraafsmeer. Het terrein, in 1888 door de gemeente aangekocht, was 16 hectare groot en bood alle mogelijkheden voor uitbreiding.

Voor de aanleg was een prijsvraag uitgeschreven, die door tuinarchitect Leonard Anthony Springer werd gewonnen. Het ontwerp van zijn hand, in de vorm van een landschappelijk wandelpark, is nog goeddeels intact De gebouwen op de begraafplaats werden ontworpen door stadsarchitect A.W. Weissmann. De gebouwen zijn in classicistische stijl.

Uitbreidingen van de begraafplaats

In 1914 kocht Amsterdam het aangrenzende terrein van de buitenplaats Oud-Roosenburgh aan de Middenweg, zodat de begraafplaats uitgebreid kon worden. Nadat Watergraafsmeer door Amsterdam werd geannexeerd op 1 januari 1921, werd de begraafplaats opnieuw uitgebreid naar de kant van de Zaaiersweg. Na nog enkele kleine aanpassingen in de jaren vijftig en zestig kreeg de begraafplaats zijn huidige omvang. Het park beslaat nu 34 hectare en bevat ruim 30.000 graflocaties en is hiermee de grootste begraafplaats van Nederland.

Aanpassingen op het terrein

Bouw van de Aula

Al snel bleek grote behoefte te zijn aan een aula, waarin in alle rust en onder alle weersomstandigheden toespraken en muziek ten gehore konden worden gebracht. Stadsarchitect ir. J. Leupen bouwde in 1939 op de fundamenten van het oude ontvangstgebouw van Weissman een aula, die kort voor de oorlog in gebruik werd genomen en waarvan de afwerking na de oorlog ter hand werd genomen. Leupen koos duurzame en fraaie materialen, de meubels en vloertegels werden speciaal voor de ruimte ontworpen. In de ramen, het spreekgestoelte, de stoelen en banken en in de vloertegels komt steeds dezelfde ruitvorm terug. Na veel heen en weer gepraat van voor- en tegenstanders werd besloten de hal en de Aula te vervolmaken met wandschilderingen aan de hand van Albert Muis (1914-1988). Het aulagebouw, de inrichting en de wandschildering zijn sinds 2003 Rijksmonument, evenals de omringende gebouwen van Weissman. Ook de begraafplaats zelf behoort tot de Rijksmonumenten.

Bouw van het crematorium

In maart 1994 werd de begraafplaats uitgebreid met een crematorium Dit crematorium werd gesitueerd achter het aulagebouw. Tijdens deze verbouwing werden ook de koffiekamers vergroot, Tevens kwamen er diverse asbestemmingsplaatsen in het gedenkpark: een urnenplateau, urnennissen, urnengraven en een strooiweide en bosprieel ten behoeve van het verstrooien van as.

Herdenkingen 1940 -1945

Oorlogsgraven

In de Tweede Wereldoorlog werden naast Amsterdammers ook Duitsers op De Nieuwe Oosterbegraafplaats begraven. De Duitse graven werden na de oorlog verplaatst.

Tijdens de oorlog werden door de Duitsers gefusilleerden naamloos in een grote kuil geworpen. Deze gefusilleerden, waaronder enige februaristakers, werden na afloop van de oorlog herbegraven. In 1947 werd ter hunner nagedachtenis een monument geplaatst, ontworpen door Hildo Krop.

Op de begraafplaats bevinden zich bovendien graven van militairen die omkwamen in 1940 en er is een groot grafveld van gesneuvelde geallieerde militairen uit het laatste oorlogsjaar.

De jaarlijkse dodenherdenking op 4 mei begint in Amsterdam 's morgens met een stille tocht langs deze graven.

Gedenkplaats overledenen concentratiekampen

In 1952 nam een delegatie uit Auschwitz een urn gevuld met aarde afkomstig uit de verschillende concentratiekampen mee naar Nederland. De urn werd voorlopig ter aarde besteld naast het grafmonument van Hildo Krop. Bij deze gedenkplaats vond sindsdien, ter herdenking van de bevrijding van de kampen Auschwitz en Birkenau, op 27 januari, de jaarlijkse herdenking plaats. In januari 1977 werd bij de gedenkplaats het monument, 'Nooit meer Auschwitz' onthuld, ontworpen als grafbedekking door schrijver/beeldhouwer Jan Wolkers. In 1993 werd dit monument verplaatst naar het Wertheimplantsoen. Ook de herdenking van de bevrijding van Auschwitz wordt sindsdien daar gehouden. Een van de belangrijkste redenen van deze verplaatsing was de bouw van een crematorium op de begraafplaats.

In hetzelfde jaar werd het monument voor omgekomenen in concentratiekamp Buchenwald geplaatst. Dit werd ontworpen door beeldhouwer Schutte uit Veere. Op de steen staat de tekst: Mensen weest waakzaam, van de in 1943 overleden historicus Fucic. Aarde uit alle martelaarsplaatsen van Europa tijdens het Nazi-regime werd bijeen gebracht in Buchenwald en later begraven op De Nieuwe Ooster. In maart 2000 kreeg het monument een prominente plaats in het gedenkpark. Jaarlijks vindt hier een herdenking plaats.

Interne organisatie van de begraafplaats

Van 1942 tot 1987 maakte de begraafplaats deel uit van de gemeentelijke Dienst Algemene Begraafplaatsen en Crematoria. Deze dienst werd opgeheven op 1 juni 1990 (Gemeenteblad 1990 afd. 3 nr. 122). Er werd besloten de taken van deze dienst voortaan onder te brengen bij de stadsdelen. De Nieuwe Ooster maakte vanaf 1 mei 1987 deel uit van stadsdeel Watergraafsmeer. In 1998 is dit stadsdeel samengevoegd met het stadsdeel Oost tot Oost-Watergraafsmeer.

Uitvoering van de taak

Regelgeving

In 1869 werd de Wet op de lijkbezorging vastgesteld. De belangrijkste wijziging ten opzichte van de hieraan voorafgaande periode was het verbod op begraven in kerken. Deze wet vormde het kader waarbinnen de begraafplaatsen tot 1991 functioneerden. Hierin werden ondermeer voorschriften opgenomen voor de aanleg van begraafplaatsen, de te vestigen grafrechten en de wijze waarop de administratie op de begraafplaats gevoerd diende te worden, evenals de minimale grafrusttermijn van 10 jaar die gerespecteerd diende te worden.

In 1991 werd voornoemde wet vervangen door een nieuwe Wet op de Lijkbezorging. De belangrijkste wijzigingen daarin waren de verruimde bepalingen betreffende de asbestemming, waardoor nabestaanden meer vrijheid kregen inzake het bijzetten en verstrooien van de as, hetgeen net als begraven echter nog steeds gebonden is aan specifieke wettelijke regels.

Afspraken op het gebied van het beheer van de begraafplaats, het crematorium en het gedenkpark van De Nieuwe Ooster zijn opgenomen in de Beheersverordening De Nieuwe Ooster. Deels is deze verordening een uitwerking van de Wet op de lijkbezorging, vooral betreffende de wijze waarop de administratie wordt gevoerd. Daarnaast zijn in de verordening bepalingen opgenomen over grafrechten, eigen en algemene graven, taken van het bestuur van de begraafplaats, indeling van de begraafplaats, vereisten voor begraving, crematie of bijzetting, de maatvoering der graven en de beschikbare ruimte voor grafbedekking.

Begraven

Tot 1994 werd er op De Nieuwe Ooster uitsluitend begraven. Sinds 1994 worden lijken ofwel begraven, dan wel gecremeerd.

Begraven gebeurt in algemene of in eigen graven, waarbij de bijbehorende graf- of gebruiksrechten (de zeggenschap over onder meer de lengte van de grafrechttermijn en over de overledenen die in het graf worden bijgezet) van invloed zijn op de prijs ervan. Eigen graven zijn duurder dan algemene graven, omdat deze het uitsluitend recht bieden iemand te begraven en begraven te houden zolang als men dat zelf wil.

Algemene graven zijn graven waarbij slechts de minimale wettelijk grafrusttermijn van 10 jaar in acht wordt genomen. Deze grafrechttermijn van 10 jaar kan niet worden verlengd. Zodra deze termijn is verstreken, kan het graf geruimd worden en worden de stoffelijke resten overgebracht naar het verzamelgraf (ook wel bekend als 'de knekelput' of 'de beenderenkuil'). Voor nabestaanden die dat niet willen bestaat de mogelijkheid om na de genoemde 10 jaar de stoffelijke resten te laten opgraven en herbegraven in een eigen graf.

In 1985 en 1986 zijn - vooruitlopend op een mogelijke wijziging van verlenging van de wettelijke minimum grafrusttermijn van 10 naar 20 jaar - gedurende korte tijd algemene graven voor 20 jaar uitgegeven in plaats van de daarvoor en daarna gebruikelijke periode van 10 jaar.

In alle algemene graven worden drie overledenen begraven. Dit zijn willekeurige overledenen, dit behoeven geen familie of bekenden van elkaar te zijn.

Bij algemene graven is er geen sprake van een rechthebbende, wel van een gebruiker. Immers de beschikking over het graf, met andere woorden wie bepaalt wie er in het graf begraven mag worden, berust bij een algemeen graf niet bij de nabestaanden, maar bij de beheerder van de begraafplaats.

De algemene graven werden 'tot begin jaren tachtig' onderverdeeld in klassen, te weten 1e, 2e of 3e klasse.

In een 1e klas algemeen graf mocht op sommige grafvakken voor de eerste overledene die er in kwam bijvoorbeeld een staand zerkje (aan het hoofdeinde van het graf) worden geplaatst en kon men voor de andere twee overledenen de helft van het graf gebruiken voor een liggend steentje.

Ook waren de algemene graven aan de rand van het grafvak vaak van een duurdere klasse dan de graven midden op het grafvak.

Bij eigen graven is er sprake van een 'eigenaar'. Deze eigenaar, de rechthebbende, bepaalt onder meer wie er begraven wordt, het uiterlijk van het graf, en de periode waarover het graf wordt uitgegeven. Daarnaast draagt hij de zorg voor de betaling. Men betaalt voor de gehele termijn ineens en daarnaast jaarlijks voor de onderhoudsrechten. Bij verlenging van de grafrechttermijn kan men ook jaarlijks betalen.

Op zowel de oude als de nieuwe Oosterbegraafplaats, maar ook nog in de beginjaren van wat in 1994 De Nieuwe Ooster is gaan heten, werden zowel eigen graven voor bepaalde, als voor onbepaalde tijd uitgegeven. De graven die voor onbepaalde tijd werden uitgegeven worden 'eeuwige' graven genoemd. Deze 'eeuwigdurende' grafrechten worden nog steeds gerespecteerd. Op De Nieuwe Ooster bevinden zich zelfs 'eeuwige' graven die na de sluiting van de oude Oosterbegraafplaats zijn overgebracht naar de nieuwe begraafplaats.

Grafvaknummering

Bij de uitgifte van een nieuw eigen graf wordt de keuze voor de locatie vastgesteld in overleg tussen de medewerkers van de begraafplaats en de nabestaanden; algemene graven worden altijd toegewezen, de gebruiker is de eerstvolgende in de rij.

Op de begraafplaats is een overzicht van de beschikbare graflocaties. De begraafplaats is onderverdeeld in grafvakken met een unieke nummering, nummer 1 tot nummer 82. Ieder vak is weer verder onderverdeeld met een nadere plaatsaanduiding. Uit deze locaties kan afhankelijk van de wensen van de nabestaanden een keus worden gemaakt.

Ieder grafvak is weer nader onderverdeeld in regels, rijen waarin wordt begraven. Deze regels worden aangeduid met een lettercode A,B,C,D, E etcetera

Per regel heeft ieder graf een volgnummer 1,2,3,4 etcetera

De laatste onderverdeling is de plek binnen het graf: 1diep, 2 diep, 3 diep en in een aantal gevallen 4 of zelfs 5 diep.

Lijken worden standaard boven elkaar begraven. Als er een nieuw graf wordt uitgegeven, wordt dit maximaal drie diep uitgegraven. Dieper is wettelijk niet meer toegestaan, omdat de stand van het grondwater in Nederland dit vrijwel overal onwenselijk maakt. Op De Nieuwe Ooster werd vroeger regelmatig 4 diep begraven; in de grafregisters wordt meerdere keren zelfs melding wordt gemaakt van 5 lagen overledenen in één graf. (Wanneer er gebruik wordt gemaakt van een grafkelder behoort 4 of 5 diep begraven nog wel tot de mogelijkheden.)

Standaard geldt de volgende procedure: het eerste lijk wordt 3 diep begraven, de volgende persoon die overlijdt wordt daarboven begraven (2 diep) en vervolgens de laatste (1 diep) en dan is het graf vol. Het graf mag pas worden geruimd, of iemand uit het graf worden opgegraven en herbegraven zodra de wettelijke grafrusttermijn van 10 jaar is verstreken. Dat wil zeggen dat de laatst begraven overledene die zich 1 diep (bovenin het graf) bevindt minimaal 10 jaar grafrust gehad moet hebben.

Op De Nieuwe Ooster worden sinds begin jaren negentig de eigen graven niet meer standaard op dezelfde grafdiepte voor drie personen uitgegeven. Nabestaanden kunnen ook kiezen uit een (goedkoper) 2 diep of 1 diep graf.

Om zeker te zijn dat de overledene in het juiste graf wordt begraven, wordt de nummering gegraveerd op een metalen plaatje, die op de kist wordt geschroefd, zodat ieder moment de overledene met behulp van het plaatje en het grafregister identificeerbaar is. Zowel om er zeker van te zijn dat de administratief geregistreerde overledene dezelfde is als de persoon die in de kist ligt en begraven, maar ook bij eventuele opgraving en/of herbegraving: dat men dan de juiste persoon te pakken heeft.

Klasse

Naast een indeling in grafvakken zijn graven ook onderverdeeld in klassen. De bereikbaarheid van het graf (al dan niet gelegen aan een van de hoofdlanen) en de grootte van het graf zijn bepalend voor de klasse.

Eigen graven werden in de periode 1894 - 1945 onderverdeeld in de klassen 1,2, 3 en 3A. Klasse 1 was de meest chique klasse, daarna klasse 2 et cetera. Na 1945 maakt men onderscheid tussen enkel A, dubbel A en dubbel AB graven. Enkel A zijn dan de eenvoudigere graven, dubbel A de duurdere, dubbel AB graven zijn de duurdere en daarnaast nog 'bijzonder goed gelegen' graven.

Algemene graven werden in twee klassen uitgegeven, namelijk klasse 4 en klasse 5, waarbij de klasse 5 de goedkoopste klasse was.

Voorbeeld grafnummering

  1. (klasse 5, dat wil zeggen een algemeen graf, de goedkoopste klasse)
  2. (grafvak 81)
E (regel E)

  1. (grafnummer)
  2. (3 diep, onderste graf)
1/1 (1 persoon op één grafdiepte)

Overige informatie inzake begraven

Kindergraven

Deze worden sinds 2001 uitgegeven voor een periode van 10 jaar. Omdat de uitgiftetermijn korter is dan 20 jaar mogen deze graven wettelijk geen eigen graven worden genoemd, maar de bijbehorende gebruiksrechten op De Nieuwe Ooster zijn voor de nabestaanden vrijwel gelijk aan die van de rechthebbende van een eigen graf. Men kan na het verlopen van de uitgiftetermijn de grafrechten gewoon weer verlengen.

Speciale eigen graven voor kinderen (een kleinere grafmaat) werden tot 2001 uitgegeven voor 20 jaar op de aparte Kinderhoven op vak 54 en 56. Hiervoor golden dezelfde regels als voor een gewoon eigen graf.

Sinds 2002 worden er geen kinderen meer begraven in eigen graven op de oude Kinderhof (vak 54/56) , maar is er een nieuwe Kinderhof met de bovengenoemde kindergraven, die voor 10 jaar worden uitgegeven. Deze graven zijn ook in half-formaat te krijgen, 1 x 1 meter. In alle kindergraven wordt altijd maar 1 lijkje begraven, tenzij het om een tweeling gaat.

Soms worden kinderen ook begraven in een regulier eigen graf (waar ook volwassenen in begraven kunnen worden); of in een algemeen graf.

Bij kinderen in een algemeen graf gelden dezelfde regels als voor volwassenen in een algemeen graf (alleen worden kindjes in een algemeen graf meestal niet boven elkaar maar met 4 of 6 naast elkaar begraven, vandaar die 1/4 of 1/6).

Het ruimen van graven

De beenderen uit de geruimde graven begraaft men in een verzamelgraf. Er zijn plannen om bij dit verzamelgraf een monument op te richten.

Bij eigen graven komt het ruimen minder vaak voor dan bij een algemeen graf.

Soms worden de stoffelijke resten op de verschillende grafdieptes samengevoegd op de onderste verdieping van het graf, zodat er op de bovenste grafdieptes weer ruimte ontstaat om nieuwe overledenen bij te zetten.

Soms worden de beenderen ook geruimd en samengevoegd met de stoffelijke resten van (bijvoorbeeld) een familielid in een ander eigen graf.

Dergelijke ruimingen mogen altijd alleen plaatsvinden in opdracht van de rechthebbende.

Wanneer de grafrechten verlopen of vervallen zijn en er geen rechthebbende meer is, dan valt een eigen graf vrij voor heruitgifte.

Bij de eerstvolgende begrafenis in opdracht van de nieuwe rechthebbende, wordt het graf geruimd en 'schoon' opgeleverd. De oude knekels gaan dan naar het bovengenoemde verzamelgraf.

Voor het ruimen van graven is geen aparte toestemming nodig, maar de begraafplaats moet zich natuurlijk wel aan de wet houden en mag geen graven ruimen waar nog grafrechten of rusten of waarvan de wettelijke grafrusttermijn nog niet is verstreken.

Daarnaast is er een meldingsplicht. Het aantal geruimde graven moet elk jaar aan de milieuinspectie worden doorgegeven.

Grootschalige ruimingen van algemene graven worden ook altijd van te voren op de begraafplaats aangekondigd.

Herbegraven

Herbegraven vindt bijvoorbeeld plaats als men er spijt van heeft dat de overledene in een algemeen graf terecht is gekomen. Opgraving binnen de wettelijke grafrusttermijn van 10 jaar wordt in de regel niet gedaan, tenzij er zeer zwaarwegende redenen voor zijn. Zeker bij opgraving uit een algemeen graf geldt altijd dat de grafrust van de andere overledenen niet zomaar geschonden kan worden. Ligt de overledene bovenin het graf (1 diep) dan wordt opgraving soms wel een binnen de wettelijke grafrusttermijn toegestaan, maar ligt het lijk onderin dan moet men wachten tot de termijn van tien jaar voorbij is.

Voor alle opgravingen, zowel binnen als buiten de wettelijke grafrusttermijn is altijd een vergunning van de burgemeester nodig. Wil men de overledene opgraven om bij nader inzien te cremeren, dan is ook toestemming van de Officier van Justitie nodig.

Informatie inzake het archief

Algemeen

Het archief van De Nieuwe Ooster bestaat uit een organisatiearchief en een archief over de taakuitoefening van de begraafplaats.

Het organisatiearchief is opgebouwd sinds de overgang van De Nieuwe Ooster van de Dienst Algemene Begraafplaatsen en Crematoria naar stadsdeel Watergraafsmeer in 1987.

Dit archief bevindt zich nog op de begraafplaats. Hierin bevinden zich stukken aangaande personeel, management, financiën jaarverslagen, begrotingen en jaarrekeningen.

Het archief over de taakuitoefening van de begraafplaats bestaat voornamelijk uit (begraaf)registers, grafdossiers, grafkaarten en crematiedossiers. Deze gegevens vormen vanaf de opening van de begraafplaats in 1894 één aaneengesloten serie, ongeacht organisatorische veranderingen.

Er is voor gekozen in dit archief het organisatiearchief te laten beginnen in 1987 en de informatie betreffende de taakuitoefening te laten beginnen in 1935. De reden hiervoor is zuiver pragmatisch, namelijk indien deze informatie betreffende de taakuitoefening toegevoegd zou worden aan het archief van Dienst Algemene Begraafplaatsen en Crematoria (ABC), zou gelet op de wijze waarop dit archief is ontsloten, dit gehele archief geherordend moeten worden en bovendien in 1987 de informatie alsnog geknipt moeten worden.



Begraafregister

Sinds de opening van de begraafplaats in 1894 zijn op De Nieuwe Ooster meer dan 300.000 personen begraven of gecremeerd. Hiervan is conform de Wet op de lijkbezorging artikel 27 register bijgehouden.

'De houder van een begraafplaats houdt een register van alle daar begraven lijken en bijgezette asbussen, met een nauwkeurige aanduiding van de plaats waar zij begraven onderscheidenlijk bijgezet zijn.'

Het begraafregister dat is overgebracht bevat enkel een overzicht aangaande personen die zijn begraven. Op De Nieuwe Ooster wordt pas sinds 1994 gecremeerd. Crematieregisters bevinden zich nog op de begraafplaats.

Vastbladig register 1894 - 1935

In de periode 1894 - 1934 bestonden de registers uit vastbladige boeken. Deze registers hebben een folioformaat. Deze registers zijn chronologisch per jaar. Daarnaast is over elk jaar een alfabetische namenindex beschikbaar.

Verloven tot begraven 1935 - 1982

In 1935 is de begraafplaats opgehouden met het bijhouden van deze vastbladige registers. In de periode 1935 - 1982 vormen de verloven tot begraven het begraafregisters. (Voor het begraven of cremeren van een overledene is toestemming van de ambtenaar van de burgerlijke stand nodig. In de praktijk wordt het verlof tot begraven of cremeren meestal door de begrafenisondernemer aangevraagd tegelijk met de overlijdensakte. Bij de begrafenis of crematie geeft de begrafenisondernemer het verlof af aan de beheerder van de begraafplaats, zodat de begraafplaats kan aantonen kan aantonen rechtmatig te hebben gehandeld.)

Op de verloven staan de volgende gegevens:

- voor- en achternaam

- overlijdensdatum met tijd

- datum aangifte overlijden

- datum begraven en de tijd waarop de begrafenis plaatsvond

- Type graf: eigen graf of een algemeen graf

- Lokatie van het graf.

- Verschuldigd bedrag aan de begraafplaats

Indien de overledene een getrouwde vrouw was, werd bovendien een schaduwkaartje gemaakt. Het verlof werd opgeborgen op geboortenaam (meisjesnaam). Een schaduwkaartje (zie-verwijzing) werd gemaakt op naam van de echtgenoot.

De verloven tot begraven uit de periode 1935 - 1958 zijn op alfabet geordend en gebundeld. Het bestaat uit twee series, namelijk 1935 tot 1947 en 1948 - 1958. Waarschijnlijk zijn de verloven aanvankelijk op het kantoor van de begraafplaats in laden opgeborgen. Nadat de laden vol waren en er geen verloven meer tussengevoegd konden worden, werd met een nieuwe serie begonnen.

Vanaf 1958 werden de verloven tot begraven niet meer gealfabetiseerd, maar chronologisch opgeborgen. Aanvankelijk per maand per jaar, later in bundels van een half jaar. De bundeling gebeurde door middel van elastiekjes, die vergingen in de loop van de tijd, waardoor in een aantal gevallen de chronologie niet meer juist is.

Overledenenkaartjes 1955 - 1992

In 1955 heeft De Nieuwe Ooster naast de verloven tot begraven 'overledenenkaartjes' als grafregister. Op de 'overledenenkaartjes' staan de volgende gegevens:

- Achternaam

- Voornamen

- Leeftijd bij overlijden

- Locatie graf + eventueel nieuwe locatie indien er sprake is van herbegraven.



De overledenenkaartjes zijn opgeborgen op alfabet. De namen van de overledenen waren opgeborgen in drie afzonderlijke laden. Zodra de laden vol waren, werd een nieuwe serie begonnen. In de periode 1955 - 1992 zijn vier series te onderscheiden, waarbij één serie enkel de letters W t/m Z bevat.

De series zijn in tijd onder te verdelen, maar in een aantal gevallen zijn kaartjes uit een latere periode in een eerdere serie aangetroffen. Vermoedelijk was er onder de letter waar het kaartje opgeborgen had moeten worden geen plaats meer en werd het kaartje onder dezelfde letter, maar in een andere serie met meer ruimte opgeborgen.

Anoebis

In 1990 is De Nieuwe Ooster overgegaan van het opslaan van informatie per graflocatie op grafkaarten naar het opslaan van deze informatie in een database, genaamd 'Anoebis' In deze database is informatie opgenomen ten behoeve van de dagelijkse bedrijfsvoering. Hierin zitten afspraken met rechthebbenden, afspraken over betalingen, onderhoud van de graven en dergelijke. Zodra een graf wordt geruimd, worden de gegevens over de overledene in een apart deel van de database opgeslagen. De historische gegevens van deze database vormen het grafregister over de periode 1990 - 2001. Zodra de gegevens uit 'Anoebis' niet meer nodig zijn voor de bedrijfsvoering zal dit bestand worden overgedragen als aanvulling op de hiervoor genoemde gegevens.

Cibis

Sedert 2001 wordt het grafregister bijgehouden in de database CIBIS.

Archiefvormer

Nieuwe Oosterbegraafplaats