341: Archief van de Gemeente Sloten

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

341

Periode:

1635 - 1922

Inleiding

Geschiedenis van het bestuur van de ambachtsheerlijkheid Sloten tot 1811

Aankoop door Amsterdam

De ambachtsheerlijkheid Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer werd, samen met die van Nieuwer-Amstel, op 15 juni 1529 door de stad Amsterdam gekocht van Reinout III van Brederode (1). In dezelfde tijd kochten ook andere Hollandse steden omliggende ambachtsheerlijkheden (2). De steden wilden ontduiking van accijns en van gildedwang tegengaan en toezicht verkrijgen op het bestuur en de waterstaat in de omgeving. Bovendien zouden problemen over de grenzen van de stad eenvoudiger opgelost of geheel voorkomen kunnen worden.

Rechtspraak en bestuur op het platteland van het graafschap Holland waren aan het eind van de Middeleeuwen in baljuwschappen en daarbinnen in schoutsambten georganiseerd. Zo'n schoutsambt kon uit een ban (rechtsdistrict) bestaan of uit meerdere - als Sloten. Als dit ambt of ambacht door de graaf in leen was gegeven werd het gebied ambachtsheerlijkheid of heerlijkheid genoemd, de leenman heette ambachtsheer. Een ambachtsheerlijkheid was kortom een in leen gegeven deel van het overheidsgezag, in een bepaald gebied. Na overlijden van een leenman verviel het leen weer aan de leenheer, die het behouden kon of aan een ander in leen kon geven, tegen zekere betalingen.

Toen steden heerlijkheden gingen verwerven moest een oplossing gevonden worden om deze inkomsten van de grafelijkheid niet te laten vervallen. In Amsterdam werd daarom één van de burgemeesters aangewezen tot 'sterfman' om namens de stad op te treden als ambachtsheer. De burgemeester, die in naam van de stad met een heerlijkheid verlijd werd, diende zich uitdrukkelijk niet als ambachtsheer te betitelen (3). Desondanks werd hij toch geregeld zo aangeduid. Bij overlijden van de sterfman werd een andere burgemeester aangewezen om in Den Haag met de betreffende heerlijkheid verlijd te worden. Namens de nieuwe 'ambachtsheer' ging gewoonlijk de stadspensionaris naar Den Haag met procuratie om hulde en manschap te doen.

Het bestuur tot 1795

Schout

Namens de ambachtsheer werd het plaatselijk bestuur met de rechtspraak en het toezicht op de waterstaat daarin inbegrepen waargenomen door de schout of 'officier'. Hij werd eventueel bijgestaan door een secretaris.

De schout van Sloten werd aangesteld door de burgemeesters van Amsterdam (4). Het ambt werd door Amsterdam verpacht voor één of meer jaren. Tegenover de pachtsom van 25 carolusgulden per jaar (in het begin van de zeventiende eeuw) stonden verscheidene inkomsten. De schout had recht op een deel van de opbrengst van verschillende belastingen en boetes. Het recht om te vissen of vogels te vangen in het Ookmeer was ook aan de functie verbonden. Verder behield hij de helft in de tienden, nog enige soortgelijke heffingen en boetes onder de tien gulden (5). Hij had recht op een percentage van de opbrengst van in het openbaar verkochte goederen en van geconsigneerde gelden. De tarieven voor de aanwezigheid (vacatie) en ambtelijke handelingen van de schout en andere ambtenaren in Sloten waren vastgesteld bij een reglement uit 1677 (6).

De schout had zijn taken in het gerecht: beslissen in geschillen, registreren en passeren van akten, eisen van straf bij geringe overtredingen en het ten uitvoer brengen van vonnissen. Hij was aanwezig bij rooiingen en bij de schouw, bij ondertrouw en huwelijk. Hij diende vooral zonder uitstel recht te doen, zodat niemand over hem te klagen had; bij het doen van de schouw moest hij Amsterdam buiten kosten houden (7). De hogere rechtsspraak in Sloten (betreffende zwaardere misdrijven en beroep op schout en schepenen) was een zaak van de baljuw van Kennemerland. Voor de waterstaatszaken waren schout en schepenen rekening en verantwoording schuldig aan het hoogheemraadschap Rijnland.

Rechtspraak en dagelijks bestuur werden na 1795 gescheiden, het toezicht op de waterstaat bleef tot na de invoering van de Gemeentewet van 1851 taak van de schout en zijn opvolgers.

Schepenen

De lokale vertegenwoordiging werd gevormd door de schepenen, die met de schout als rechtseiser de schepenbank vormden (8). De schepenen hadden een roulerende functie. Elk jaar bleven van de zeven schepenen er twee aan om de nieuwe president en vice-president van de schepenbank te worden. De schepenen werden door de ambachtsheer gekozen uit dubbeltallen (vier oude en tien nieuwe schepenen) in de week voor Pasen, evenals de kerkmeesters, armenvoogden en broodwegers. Met Goede Vrijdag traden de schepenen in dienst. Aanvankelijk hadden Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer ieder een eigen gerecht of schepenbank. In 1654 is besloten deze te verenigen tot één rechtbank van zeven schepenen. Het gerecht hield beurtelings in de verschillende plaatsen zitting (9). Houtrijk en Polanen had een apart gerecht van drie schepenen, Raasdorp van twee (10). De taak van de schepenen was de rechtspraak in kleine zaken, dat wil zeggen zaken waarvoor boetes onder tien gulden geëist konden worden. De schout trad op als aanklager en eiser, de schepenen als rechter. Verder konden voor de schepenbank allerlei akten worden gepasseerd. Huwelijksvoltrekking, registratie van overdracht van onroerend goed, controle van de rekening van de kerkmeesters van beide hervormde gemeentes behoorden tot de taak van de schepenbank, evenals de verstoeling der wegen, dat wil zeggen het verdelen van de wegen in parten en vaststellen wie deze moet onderhouden. Het salaris van de schepenen is geregeld bij het reglement van 1677 (zie boven, noot 6).

Secretaris

Misschien wel de meest centrale plaats in het bestuur van een ambachtsheerlijkheid werd ingenomen door de secretaris. Bij alle rechtshandelingen was hij aanwezig, alle stukken gingen door zijn handen. Hij was niet alleen secretaris van de schepenbank, maar ook van de weesmeesters en van de verschillende polderbesturen. De functie werd vaak door de schout waargenomen. Net als de schout werd hij door de burgemeesters van Amsterdam aangesteld. De secretaris diende de resoluties van de verschillende colleges te schrijven, de biljetten op te maken van de verschillende belastingen en omslagen, hij moest de rekeningen opstellen en de kohieren bijhouden. Zijn wedde (fl. 120) en de specificatie van zijn verdere salaris werd vastgesteld bij het eerder genoemde reglement van 1677 (11). Hij werd vergoed voor zijn tijd op reis en voor zijn aanwezigheid bij de schouw, in het gerecht, bij vergaderingen, enzovoorts. Voor het schrijven van allerlei stukken werd hij per blad betaald en verder had hij recht op percentages in belastingen, net zo als de schout.

Weesmeesters

Op het bezit van minderjarige wezen werd toezicht gehouden door het college van weesmeesters, ook wel 'de weeskamer' genoemd. Als een weduwe of weduwnaar wenste te hertrouwen, kon dat alleen nadat hij of zij een verklaring had afgelegd voor weesmeesters over de erfenis van de overleden echtgeno(o)t(e). Ook kon de weeskamer zijn 'uitgesloten' van bemoeienis met deze erfenis, als dat althans bij voorbaat door de ouders in hun testament was vastgelegd. Het erfdeel van de minderjarige wees (jonger dan 25 jaar) kon, nadat de omvang ervan was vastgesteld, door de langstlevende ouder of door voogden, die door de weesmeesters werden aangesteld, worden beheerd. Voor weesmeesters konden akten van diverse aard gepasseerd worden; deze hadden gelijke rechtskracht als akten gepasseerd voor de schepenbank. De weeskamer van Sloten volgde het reglement van de Amsterdamse weeskamer. Het ambacht telde drie weesvaders of weesmeesters, die voor hun leven werden aangesteld en vier maal per jaar zitting ('weesdag') hielden in het rechthuis in het dorp Sloten. Hun inkomsten werden geregeld bij het reglement van 1677. Houtrijk en Polanen had een eigen weeskamer (12).

De veranderingen in de periode 1795-1811

De revolutie van januari 1795 is Sloten niet ongemerkt voorbij gegaan. In maart 1795 nam de schout afscheid in de vergadering van het bestuur van de Sloterpolder omdat hij zijn ambt had neergelegd. In de vergadering van april was hij nog aanwezig als 'gewezen schout'; zijn opvolger was er ook, als 'provisioneel schout' (13). In maart 1795 was het de 'municipaliteit' die de rekening van de kerk van Sloten goedkeurde, sinds mei 1796 beschikte deze op rekesten. Vanaf 1798 verschijnen naast elkaar de 'Administratieve leden der municipaliteit' en het 'Comité van rechtsoefening' of van 'justitie' in het register van rekesten en appointementen en vanaf 1803 het 'gemeentebestuur' (14). Al die tijd werden de akten van transport of bezwaring van onroerend goed geregistreerd door schout en schepenen. Deze beslisten soms ook over rekesten (15). De opheffing van de relatie met Amsterdam als ambachtsheer was een gevolg van de Publicatie van 6 maart 1795 van de Provisionele Representanten van het volk van Holland (16). De poging van de stad om haar geldelijke voordelen in dit opzicht na te streven hebben geen gevolg gehad (17).

Geschiedenis van het bestuur na 1811

Het gemeentebestuur

Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk werd het gemeentelijk bestuur hier te lande geregeld bij twee keizerlijke decreten (18). De prefect van het departement der Zuiderzee stelde in Sloten een maire, een adjunct maire en een conseil municipal of gemeenteraad van 10 leden aan. Het bestuur van de gemeente was aan de maire opgedragen, terwijl de raad slechts geringe bevoegdheden bezat. In 1812 werd de vroegere schout van Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer tot maire aangesteld (19). De bestaande colleges van bestuur bleven na de restauratie van de Nederlandse soevereiniteit voorlopig in functie. Bij Soeverein Besluit van 26 maart 1814 (St.bl. 46) werden de voormalige heerlijke rechten grotendeels in ere hersteld. Ten gevolge hiervan heeft Amsterdam tot in 1851 bemoeienis gehouden met de benoeming van leden van het gemeentebestuur, ambtenaren, onderwijzers in Sloten (20).

Een nadere regeling van het gemeentebestuur kwam tot stand krachtens de grondwet van 1815, die onderscheid kende tussen stedelijke- en plattelandsbesturen. Bij Koninklijk Besluit van 9 oktober 1816 (nr. 104) werd het bestuur der plattelandsgemeenten in Noord-Holland opgedragen aan een schout en een gemeenteraad, geassisteerd door een secretaris (21). In heerlijkheden werd de schout door de koning, en de raad door de Staten benoemd uit een dubbeltal kandidaten. De schout van Sloten werd geassisteerd door twee assessoren, gekozen uit de raad, en vervulde ook de functie van secretaris. De raad kon pas beslissen over belasting inzake onroerend goed en andere belangrijke financiële zaken, nadat een aantal notabelen, evenveel als raadsleden, in de vergadering was gehoord een overblijfsel uit oude tijden (22).

Het reglement van 1825, dat dat van 1816 verving, heeft met enige veranderingen de inrichting van het gemeentebestuur van Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer geregeld tot de inwerkingtreding van Thorbecke's gemeentewet op 29 juni 1851. Sindsdien kent de wet geen onderscheid meer tussen steden en plattelandsgemeenten en bestaat het bestuur van elke gemeente uit een raad, een burgemeester en wethouders.

Overige archiefvormende instanties

De gemeenteontvanger is belast met invorderen van alle inkomsten der gemeente en het doen van alle uitgaven uit de gemeentekas. Hij betaalt slechts op bevelschriften (mandaten) en doet van zijn inkomsten en uitgaven jaarlijks rekening aan burgemeester en wethouders (23). Zijn benoeming en instructie zijn geregeld bij de verschillende hierboven genoemde wetten en reglementen van bestuur.

De ambtenaar van de burgerlijke stand is in de uitoefening van zijn functie geheel zelfstandig en onafhankelijk. Aan de officier van justitie is opgedragen te onderzoeken of hij bij zijn arbeid de wet behoorlijk heeft nageleefd. Hij wordt benoemd door de raad en legt een eed of gelofte af voor de arrondissementsrechtbank tot wier ressort de gemeente behoort (24).

Op grond van de armenwet van 1854 stelde gemeenteraad op 22 december 1855 een 'Reglement voor het Burgerlijk Armbestuur in de gemeente Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer' vast (25). Het Burgerlijk Armbestuur bestond volgens dit reglement uit vijf regenten, drie regentessen en een secretaris. De taak van het armbestuur was de ondersteuning van armen en het beheer van het Wees en Armenhuis in het dorp Sloten. Ondersteuning ontvingen alleen inwoners der gemeente, die geen onderstand ontvingen van andere instellingen. De armenwet van 1854 stelde, dat de plaats van geboorte van een armlastige diens ondersteuning moest bekostigen, wat in 1870 veranderd werd in: woonplaats. Pas in 1912 stond de wet toe uitkeringen van kerkelijke of andere instellingen van weldadigheid aan te vullen.

Het Wees en Armenhuis was ondergebracht in het Diaconiehuis in het dorp Sloten. Gedwongen door haar slechte financiële toestand had de hervormde diaconie aldaar haar huis, dat van 1774 dateerde, aan het burgerlijk armbestuur verhuurd (26). Het armbestuur heeft in 1859 naast het Diaconiehuis zelf een Wees en Armenhuis laten bouwen (27). Bouwvalligheid leidde in 1905 tot afbraak hiervan en de stichting van een nieuw Wees en Armenhuis in het dorp Sloten (28). Het Burgerlijk Armbestuur van de gemeente Sloten werd op 25 oktober 1922 opgeheven door de gemeenteraad van Amsterdam (29). Bezit, inkomsten en taken werden overgenomen door het Burgerlijk Armbestuur van Amsterdam, terwijl de leiding van het Wees- en Armenhuis opgedragen werd aan de directeur van het Amsterdamse Armenhuis (30).

Onder patronage van koningin Wilhelmina werd in augustus 1914 een Nationaal Steuncomité 1914 opgericht. Het doel van het comité was om in de te verwachten moeilijke tijden werkwillige, valide arbeiders te steunen met geld en goederen. Daartoe stimuleerde het de oprichting van plaatselijke comité's (31).

Grenzen

De volledige naam van de ambachtsheerlijkheid Sloten, die Amsterdam in 1529 kocht, was: Sloten, Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer en de Vrije Ambachten Raasdorp, Houtrijk en Polanen. In dit gebied lagen de dorpen Sloten, Sloterdijk en Osdorp en de buurtschappen Overtoom (onder Sloten), Halfweg (onder Houtrijk en Polanen). Van het verdronken dorp Raasdorp restten in 1632 nog acht huizen (32). De Vrije Geer was het driehoekige stuk land, waar het dorp Sloten in lag.

De noordgrens van Sloten cum annexis (c.a.), zoals het ambacht ook wel werd aangeduid, werd gevormd door het IJ. Ten oosten lagen de stad Amsterdam en de ambachtsheerlijkheid Amstelveen-en-Nieuwer-Amstel. De grens liep hier vanaf het IJ ten noordoosten van het Kartuizerklooster in zuidwestelijke richting door het toenmalige tracé van de de Kostverloren Vaart, volgde deze na een scherpe knik tot aan de Overtoom, om van hier langs de Schinkel naar het zuiden verder te gaan (33). De ton, een baken op de zuidoostelijke hoek van de Riekerpolder, waar de Schinkel overging in de Nieuwe Meer, werd onder Nieuwer-Amstel gerekend. De grens liep achter de ton om en vervolgens in zuidelijke richting dwars over de Nieuwe Meer, over land achter het buitendijkse land van de Rietwijkeroorder polder om en tenslotte weer dwars over de Nieuwe Meer om ongeveer ten zuiden van het dorp Sloten over land langs het ambacht Rietwijk of Riek te gaan (34). Verder lag de grens, na een klein stukje langs het Haarlemmermeer, over land langs Nieuwerkerk aan de Drecht. De dorpen Rietwijk en Nieuwerkerk-aan-de-Drecht zijn (waarschijnlijk in de zeventiende eeuw) door de Haarlemmermeer verzwolgen. Bij de monding van het Lutkemeer gaat de westgrens van Sloten achter het restant van Raasdorp om langs dat deel van de Haarlemmermeer, dat Spieringmeer heette om tenslotte voorbij Houtrijk en Polanen langs het Hofambacht weer het IJ te bereiken. In het IJ behoorden de eilandjes Hoekenes en Buitenheining onder Osdorp, de zuidelijke helft van Ruigoord hoorde onder Houtrijk (35).

Buiten de jurisdictie en dus over het gebied van Sloten had Amsterdam nog twee grenzen liggen: een accijnsgrens (36) en de limiet van het ban- en vangrecht (37). Verder lagen binnen het ambacht nog de grenzen van de bannen of gerechtsgebieden Sloten, Sloterdijk, Osdorp, de Vrije Geer, Raasdorp, Houtrijk en Polanen (zie hiervoor de bijgevoegde kaarten) (38). Het gebied bestond bovendien uit meer dan tien polders (39). De grens tussen de hervormde kerken van Sloten en Sloterdijk (de 'kerkzoeking') is in 1647 vastgesteld (40). Bij de zogenaamde derde vergroting van de stad Amsterdam van 1611 kwam een gedeelte van Sloten binnen de jurisdictie van Amsterdam te liggen. Het noordoostelijke deel van Sloten, tussen het Kartuizerklooster en het IJ, en enige landerijen ten westen van de Kostverloren Vaart kwamen onder de stad. Later, in 1669, is een regeling getroffen betreffende de landerijen in dit gebied, die door de nieuwe grens gekruisd werden en gedeeltelijk onder Sloten, gedeeltelijk onder Amsterdam waren komen te liggen (41).

De ambachten Houtrijk en Polanen werden in 1795 zelfstandig (42). Het restant van de vroegere ban Rietwijk, het westelijkste deel van de Riekerpolder, werd in 1812 aan Sloten toegevoegd (43). De ook voordien wel kortweg gebruikte naam Sloten werd in de jaren zestig van de negentiende eeuw de gebruikelijke, in het bijzonder als: Sloten (N.-H.) of Sloten c(um) a(nnexis). De grenzen van de gemeente hebben na 1812 enige wijzigingen ondergaan: in 1868 werd het restant van Nieuwerkerk aan de Drecht - enige percelen grasland - aan Sloten toegevoegd (44). Verdere gebiedsuitbreiding vond plaats ten gevolge van de aanleg van het Noordzeekanaal, waarbij een deel van het IJ werd ingepolderd. Hiervan werd in 1877 de Grote IJpolder met daarin de vroegere eilanden De Horn en Jan Rebellenwaard aan Sloten toegevoegd (45). Vanaf deze tijd tot 1920 is vrijwel onafgebroken gesproken over wijziging van de grens met Amsterdam. In 1896 vond een grenscorrectie plaats, waarbij de terreinen van de Amsterdamse vuilnisbelt, de Westergasfabriek en de R.K. begraafplaats St.-Barbara aan Amsterdam kwamen (46). Amsterdam wenste verdergaande grenswijzigingen voor havenwerken en nieuw industriegebied en in verband met het ontstaan van stedelijke bebouwing buiten de gemeentegrenzen. Na jaren onderhandelen over alternatieven werd tenslotte per 1 januari 1921 de gehele gemeente Sloten door Amsterdam geannexeerd (47). Een deel van de administratieve taken van het voormalige gemeentebestuur werd nadien uitgevoerd door de hulpsecretarie Sloten (48).

Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie

Over de plaats waar de archieven van Sloten voor 1811 bewaard werden zijn slechts enkele aantekeningen gevonden. Het duidelijkst hierover is de machtiging aan de nieuwe secretaris mr. Paulus van Beseler in 1703 om de 'boeken, charters, etc' over te nemen van de weduwe van de vorige secretaris (49). Hij hoefde haar deel van de emolumenten van het ambt pas te betalen, als zij alle boeken, documenten en papieren (aan schepenen) overgedragen zou hebben. In 1661 gebeurde iets dergelijks, toen de gesuspendeerde secretaris Claes Pietersz. van den Hoorn de 'registers, charters, papieren en stukken' aan zijn waarnemer moest overdragen. Blijkbaar heeft de secretaris het archief bij zich thuis staan. Aangezien enerzijds het poldergeld en de verponding bij de secretaris thuis voldaan moesten worden en anderzijds de schepenbank niet op een vaste plaats zitting had, lijkt deze plaatsing van de archieven niet onwaarschijnlijk (50). In 1812 had de nieuwe maire M. Hanenberg moeite om het archief van zijn voorganger overgedragen te krijgen (51). Ook toen zal de maire het archief onder zich hebben gehad. En eigenlijk was de situatie in 1840 nog hetzelfde. De burgemeester P.J. Schuijt beschrijft de aanbouw aan zijn woning het huis van zijn vader, bij wie hij inwoont: de zolder was 'tot berging der archieven' ingericht. Het verschil met de eerdere situatie was, dat de aanbouw nu door de gemeente werd gehuurd.

Op deze plaats stond het archief nog toen er op 14 juni 1859 brand uitbrak in het huis naast de burgemeesterswoning. De brand sloeg snel over naar de aangrenzende burgemeesterswoning en de verdere huizen daarnaast. Burgemeester Schuijt wist met hulp 'het merendeel der belangrijke stukken van de secretarie en van het gemeentearchief te redden' (52). Deze burgemeester had echter in 1856 op aandringen van P. Scheltema, de archivaris in Noord Holland, een inventaris samengesteld (53). Van voor de grote brand van 14 juni 1859 hebben wij dus toch uitgebreide gegevens over de omvang van het archief. In 1873 werd een tweede inventaris gemaakt (54). Kort na de voltooiing van deze inventaris heeft Scheltema het archief gezien (55). Aan de inventaris van 1856 is door burgemeester De Vos en P. Scheltema een 'P.S.' toegevoegd, waarin de na 1856 verloren gegane stukken worden opgesomd. Daardoor is het mogelijk te zien wat gered of verloren gegaan is (56). Van de in de inventaris van 1873 opgenomen nummers ontbreekt nu zo'n groot aantal (zoals 25 delen bevolkingsregister, kadastrale leggers en plans, geheime notulen), dat wel geconcludeerd moet worden dat veel zonder verantwoording is vernietigd. In de jaren hierna kreeg het archief minder aandacht, getuige een brief van de Commissaris des Konings waarin vermeld wordt, 'dat het archief van deze gemeente nieuw is, doordat het oude in het jaar 1859 verbrand is, dat het archief in het raadhuis wordt bewaard, dat het archief is geborgen in een kast, doch niet beveiligd is tegen brand' (57). In 1882 kreeg Scheltema op zijn verzoek om inlichtingen als antwoord: 'dat overigens al de exemplaren op inliggende inventaris vermeld... op een vertrek boven het gemeentehuis in een grote droge kast geplaatst zijn tegen de zuidergevel van het gebouw, in volkomen gave en reine staat voorhanden zijn' (58). Vaste vermelding bij de betreffende vraag in de jaarverslagen wordt dan: 'het archief is behoorlijk geordend en verkeert in voldoende toestand'. In 1893 blijkt er een index op de raadsbesluiten van 1812 tot 1893 gereed gekomen te zijn (59). In 1899 besloten burgemeester en wethouders een archiefkast aan te schaffen, 'die in een der zijwanden van de (raad)zaal een plaats zal vinden' (60). Deze situatie is in 1906 blijkbaar zo onbevredigend, dat ze genoemd wordt als een van de redenen om over te gaan tot inrichting van een nieuwe raadzaal (61). Tenslotte werd in 1909 door de raad besloten 'de beneden voorkamer en de daarachter gelegen keuken van de secretariswoning (het voormalige gemeentehuis) in te richten tot archiefkamer' (62). Vooruitlopende op de naderende annexatie kondigde de gemeentearchivaris van Amsterdam op 10 december 1920 een bezoek aan om de omvang van het archief vast te stellen (63). In tegenstelling tot de archieven van de andere toen geannexeerde gemeenten is het archief van Sloten niet in 1921 in het gemeentearchief van Amsterdam gedeponeerd (64). Pas in 1941 werd het als aanwinst genoemd in het jaarverslag van de gemeentelijke archiefdienst (65). Na de overbrenging van de archieven van de gemeente Sloten naar het gemeentearchief van Amsterdam is er tweemaal een lijst van gemaakt. Één in de periode 1941 1946 en één in de jaren vijftig (66). De materiële verzorging vóór de huidige inventarisatie was redelijk tot goed. Door het verpakken van de losse stukken in nieuwe omslagen waren de sporen van de oude orde grotendeels verdwenen. Na voltooiing van de tweede hierboven genoemde lijst zijn enige aanvullingen binnengekomen, die in deze inventaris opgenomen zijn. De herkomst van deze tot het archief teruggebrachte stukken is gespecificeerd in de concordans (zie bijlage achter de inventaris). De huidige ordening is aangebracht met gebruikmaking van de code VNG voor de indeling in hoofdstukken. De cesuur in 1811 tussen het oude en het nieuwe archief is duidelijk aanwezig. De verandering toen is een gevolg van de invoering van de Franse wetgeving (zie p. 7).

De hier geïnventariseerde archieven beslaan totaal ruim 45 meter, waaronder 60 cm. archief van de gemeenteontvanger, 2 m. archief van de ambtenaar van de burgerlijke stand, 65 cm. archief van het Burgerlijk Armbestuur en 10 cm. archief van het Plaatselijk Steuncomité.

Adviezen voor het gebruik van de inventaris

Burgemeester en wethouders hebben in hun vergadering van 21 september 1917 besloten tot 'verdeling der werkzaamheden' (67). De burgemeester belastte zich met de aangelegenheden betreffende politie, brandweer, militie, bevolking, levensmiddelenbedrijf, gasbedrijf en inkwartiering. De ene wethouder krijgt als taak de zaken betreffende onderwijs, drankwet en huurcommissie, de andere de zaken betreffende woningwet, hinderwet, pensioenen, kieswet publieke werken en financiën. De uitgaande stukken van de wethouders zijn sindsdien respectievelijk in de uitgaande stukken van de IIe en de IIIe afdeling te vinden.

De gemeentewet van 1851 verplichtte burgemeester en wethouders jaarlijks uitvoerig en beredeneerd verslag te doen van de toestand der gemeente. Dit verslag werd aan Gedeputeerde Staten meegedeeld. De gedrukte formulieren voor deze gemeenteverslagen zijn in Sloten aanvankelijk meegebonden in de serie ingekomen stukken (68). Dit gebeurde ook met andere formulieren, goedgekeurde verordeningen, enz. Vóór 1851 werd op grond van de beschikking van 30 april 1821 (_Provinciaal blad_ nr. 34) ook een jaarlijks verslag gemaakt, ten behoeve van de Gouverneur, later Commissaris des Konings. Deze beantwoording van een lijst vragen werd vanaf 1830 afgeschreven in de registers van uitgaande stukken. Over 1920 tenslotte is een 'Verkort Jaarverslag van Sloten' opgenomen in het jaarverslag van Amsterdam.

Gegevens betreffende de omnummering van de huisnummers van de voormalige gemeente Sloten tot Amsterdamse huisnummers zijn gedrukt in het Algemeen Adresboek der stad Amsterdam, 1924/25 en volgende delen. Eerdere veranderingen van huisnummers (sinds 1890) zijn te vinden in de serie woningboeken in het bevolkingsregister van Sloten (69).

Noten

(1) E. Smith, 'Koop of spel. Eenige aantekeningen uit de geschiedenis van den aankoop door Amsterdam der ambachtsheerlijkheden van Amstelveen, Sloten, Sloterdijk en Osdorp van Reinout van Brederode in 1529', Jaarboek Amstelodamum XXXVI (1934) 39-86; H.F.K. van Nierop, '"Het Quaede regiment". De Hollandse edelen als ambachtsheren, 1490-1650', Tijdschrift voor Geschiedenis 93 (1980) 440. Aanleiding tot de koop was het jarenlange proces tussen Amsterdam en de heren van Brederode over de uitbreiding van de grenzen van Amsterdam over Nieuwer-Amstel en Sloten. De dronken gevoerde Reinoud van Brederode werd met dobbelen zijn ambachtsheerlijkheid afhandig gemaakt.

(2) Bijvoorbeeld Leiden en Haarlem; in Utrecht: Amersfoort. Zie E.C.G. Brünner, De order op de buitennering van 1531. Bijdrage tot de kennis van de economische geschiedenis van het graafschap Holland in de tijd van Karel V (Utrecht, 1918).

(3) GAA, arch. 5023, 'Groot Memoriaal', dl. 6, f. 3: 17 september 1669.

(4) Dus niet door de burgemeester die optrad als ambachtsheer.

(5) De andere helft van de tienden kwam 'de pastorie' toe. De hogere boetes werden voor de ene helft betaald aan de stad Amsterdam, voor de andere helft aan de baljuw van Kennemerland (de hogere rechter).

(6) GAA, arch. 5023, 'Groot-Memoriaal', dl. 6, f. 192 en arch. 5028, 'Stukken betreffende verscheidene onderwerpen', mag. nr. 618, 'Reglement, waarna den officier, secretaris, en andere bedienden, in de heerlykheden van Sloten, Sloterdyk, Oosdorp, en de Vrye Geer, haar in 't stuk van hare vacatien en salarissen voortaan zullen hebben te reguleeren' (Amsterdam, 1741). Behalve voor de schout en secretaris worden ook de vergoedingen voor de schepenen, de weesmeesters en de bode gegeven - alles met extra vergoeding op 'extra-ordinaris tijden' en voor 'buitenlieden'.

(7) GAA, arch. 5023, 'Groot Memoriaal', dl. 3, f. 155v: Instructie voor de schout van Sloten, 10 april 1626. Deze instructie vermeldt verder nog, dat de schout elk jaar om voortzetting van zijn ambt moet vragen, anderzijds kunnen burgemeesters hem ontslaan met een opzegtermijn van een kwartaal. Bij ziekte mag hij op eigen kosten een plaatsvervanger aanstellen; bij overlijden mag zijn weduwe eventueel ook, zolang de pacht duurt, het ambt verder exploiteren door een plaatsvervanger aan te stellen. De wijze van inning van de verpondingen (onroerend goed-belasting) en andere heffingen is in 1713 nog eens apart geregeld (GAA, arch. 5023, 'Groot Memoriaal', dl. 9, f. 168/9). De taak werd aan schout en secretaris gezamenlijk opgedragen tegen een gaarloon van 24%.

(8) In het baljuwschap Kennemerland, waar Sloten in lag, hadden de schepenen meer taken dan in andere baljuwschappen. Zie: G. de Vries Azn., Het dijks- en molenbestuur in Holland's Noorderkwartier onder de grafelijke regeering en gedurende de republiek (Amsterdam, 1876) 16.

(9) Van mei tot juli in het dorp Sloten, van augustus tot oktober te Sloterdijk, van november tot januari in Osdorp en van februari tot april aan de Overtoom (J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst... (Amsterdam, 1760-1767) dl. III, 73).

(10) Voor een beschrijving van het archief van schout en schepenen van Houtrijk en Polanen zie: C. Glaudemans, Inventaris van de oude archieven van de tegenwoordige gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 1407-1811 (1824) 81-86 en 90-91. De stukken bevinden zich deels in het Gemeentearchief van Haarlem en deels in het Rijksarchief in Noord-Holland.

(11) GAA, arch. 5023, 'Groot Memoriaal', dl 5, f. 25v: in 1660 was nog bepaald, dat de secretaris van Sloten zich voor de vergoeding van particulieren diende te voegen naar het reglement van de secretaris van Amstelveen van 14 oktober 1654.

(12) Glaudemans, Inventaris Haarlemmerliede, 91. De schepenen traden hier op als weesmeesters.

(13) Arch. 415, Sloterbinnen- en Middelveldse gecombineerde polders, inv. nr. 2. (14) Inv. nr. 15 en GAA, arch. 329, Hervormde gemeente Sloten, inv. nr. 208.

(15) Inv. nrs. 35-39.

(16) Zie C.H. Jansen, 'Geschiedenis van de Amsterdamse ambachtsheerlijkheden, 1795 1848', Tijdschrift voor geschiedenis LXXVIII (1965) 417-431.

(17) GAA, arch. 5053, Nieuw Stedelijk Bestuur, inv. nr. 6.

(18) Decreten van 18 oktober en 8 november 1810. Zie M.J.A.V. Kocken, Van stads en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur. Proeve van een geschiedenis van ontstaan en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en met de gemeentewet van 1851 (Z.p., 1973) 195.

(19) Inv. nr. 291, 6 april 1812.

(20) Inv. nr. 65, 26 juni 1851.

(21) Rapport der provinciale commissie ter bestudering van de gemeentelijke indeling van Noord Holland, dl. I, Algemene beschouwingen (Haarlem, 1949) 238.

(22) Kocken, Van stads en plattelandsbestuur, 280.

(23) Gemeentewet, art. 113-127.

(24) J.N. Elenbaas, Handboek voor den burgerlijken stand. Bewerkt door A.J.G.P. Septer (Alphen a/d Rijn, 1936) 130-142.

(25) Inv. nr. 890. Eerdere reglementen worden in de raadsnotulen wel genoemd, maar niet in extenso opgenomen, bijvoorbeeld in 1818.

(26) GAA, arch. nr. 329, Hervormde gemeente te Sloten, inv. nr. 99.

(27) GAA arch. nr. 379, inv. nr. 281 (volgnr. 918).

(28) Inv. nr. 77, 15 juli 1905 e.v.

(29) Gemeenteblad van Amsterdam, 1922 I, 1508-1510, II, 1428.

(30) GAA, arch. 348, 'Armenhuis', mag. nr. 391.

(31) Inv. nr. 250 (na volgnr. 384). P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding, 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid (Amsterdam, 1979) 23.

(32) Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, dl. III, 72.

(33) In de verpondingskohieren van Sloten (inv. nr. 3, p. 89/90 en 96-98, en in GAA, arch. 415 Sloterbinnen- en Middelveldse gecombineerde polders, inv. nr. 505 f. 54/55 en 60/61) wordt land opgesomd tussen de Maljapenkade (de kade aan de westzijde van de Kostverloren Vaart) en de Haarlemmerpoort aan weerszijden van de Hogendijk (de Spaarndammerdijk). Zie ook de kaart van Louris Pietersz, 1564 in: W.F. Heinemeijer e.a., Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen cartografie (Ede, 1987) 30/31. Dit land is ook in de Amsterdamse verpondingskohieren te vinden na de annexatie ervan door Amsterdam (GAA, arch. 5044 Thesaurieren extra-ordinaris, inv. nr. 292, f. 1-7 bijvoorbeeld). Met dank aan Erik Schmitz.

(34) De in vorige noot genoemde verpondingskohieren van Sloten noemen ook land in Rietwijkeroord in de ban van Sloten (inv. nr. 3, p. 98/99 en arch. 415, inv. nr. 505 f. 61v). Een van de percelen buitendijks land van de Rietwijkeroorder polder in de ban van Sloten werd in 1711 getransporteerd in Sloten (inv. nr. 19, f. 78v: 11 september). Zie ook de kaart van Rietwijkeroord door Ant. Velsen uit 1721 in H. Schmal en T. Stol, 'Vorming en omvorming van de polder Rietwijkeroord', in: Geplaatst in de tijd. Liber amicorum M.W. Heslinga (Amsterdam, 1984) 328.

(35) De eilandjes Den Horn en Jan Rebellenwaard vielen onder Zaandam (DTB Sloten 79/75).

(36) Om te voorkomen, dat vlak buiten de stad goedkoper dan in de stad wijn en bier werd geschonken gaf Filips van Bourgondië de stad Amsterdam in 1452 toestemming accijns op bier en wijn te heffen tot een kwart mijl buiten de stad. In 1539 is deze grens verlegd: aan de westzijde van de stad kwam de grens te liggen op de Spaarndammerdijk voor het dorp Sloterdijk en op de Sloterweg halverwege het dorp Sloten (Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, III, 87; IV, 297-298). (37) Buiten de stadswal en -gracht strekte het gebied van de stad Amsterdam, de 'jurisdictie' of '(stads)vrijheid' zich nog 100 roeden (ruim 450 m.) uit rond de stad. In 1489 verkreeg Amsterdam van Maximiliaan van Habsburg het recht om misdadigers in een strook van 1000 roeden rond de 'Vrijheid' te verbannen en hen binnen dat gebied gevangen te nemen. Deze schenking van het ban- en vangrecht is sindsdien enige malen bevestigd. Bij de uitleg van de stad werd de grens ook verlegd. De 'uiterste grens van de ballingen' werd aangegeven door palen, die in de aangrenzende ambachten stonden: één aanleiding voor de geschillen met de heer van Brederode. Onder Sloten stonden twee banpalen: een aan de Spaarndammerdijk bij de Spieringhornerpolder, en een aan de Sloterweg (nu achter nr. 1206) (Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, III, 188, 204, 303; IV, 169-170; V, 95).

(38) De ban van Sloterdijk wordt niet aangegeven op kaarten, maar de aanduiding wordt wel steeds gebruikt in de transportregisters. De noordgrens zal het IJ geweest zijn, de oost- en westgrens respectievelijk de Baarsjes en de Uitweg, de zuidgrens was mogelijk de Posjeswetering.

(39) Van de volgende polders onder Sloten is het archief overgebracht naar het Gemeentearchief van Amsterdam: Lutkemeerpolder (arch. 328), Middelveldse Akerpolder (arch. 875), Osdorperbinnenpolder (arch. 531), Osdorperbovenpolder (arch. 845), Overbrakerbinnenpolder (arch. 171), Overbrakerbuitenpolder (arch. 100), Riekerpolder (arch. 97), Sloterbinnen- en Middelveldse gecombineerde polders, en de Verenigde polders onder de gemeente Sloten (arch. 415), Sloterdijkermeerpolder (arch. 248), Spieringhornerbinnenpolder (arch. 416) en de Grote IJpolder (arch. 513).

(40) Zie inv. nr. 16, f. 361v.

(41) Vastgesteld werd voor welke landerijen in Amsterdam het transport moest worden geregistreerd en verponding worden betaald en voor welke in Sloten (Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, dl. III, 5).

(42) Met de zuidelijke helft van Ruigoord (zie Glaudemans, Inventaris van de oude archieven, 24-26). Per 1 januari 1812 werd Houtrijk en Polanen bij de gemeente Haarlemmerliede gevoegd. Division de la Hollande en départements, arrondissements et justices de paix/Verdeeling van Holland in departementen, arrondissementen en vredegerechten (Amsterdam, 1811) 15).

(43) GAA, arch. 97, Riekerpolder, inv. nr. 268: vanaf 1812 werd alleen de schout en secretaris van Sloten voor zijn werk ten dienste van de polder betaald, tot 1811 ook die van Rietwijk. Rietwijkeroord, de andere helft van de vroegere heerlijkheid Rietwijk-en-Rietwijkeroord, kwam aan Nieuwer-Amstel. De goederen van de reeds lang door het Haarlemmermeer verzwolgen kerk van Rietwijk waren al eerder overgedragen aan de kerk van Sloten (zie de inleiding op de inventaris van archief 329).

(44) K.B. van 24 mei 1816 nr. 35; wet van 19 april 1868 (St.bl. 54).

(45) Wet van 29 mei 1877 (St.bl. 107).

(46) Wet van 20 maart 1896 (St.bl. 39).

(47) Wet van 28 december 1920 (St.bl. 919); Rapport der provinciale commissie ter bestudering van de gemeentelijke indeling van Noord Holland, dl.II, Voorstellen der commissie voor... het gebied Amsterdam (Haarlem, 1959) 292.

(48) GAA, arch. 1138.

(49) GAA, arch. 5023, 'Groot Memoriaal', dl. 8, p. 245: 17-10-1703.

(50) Van Beseler en zijn voorganger mr. Pieter Ruijl woonden overigens in Amsterdam. (51) Inv. nr. 291, brieven aan T. Reedemeester en aan de onderprefect van het arrondissement Amsterdam, 6-9 april 1812.

(52) Inv. nr. 306, 17 juni 1859.

(53) Inv. nr. 259, 25 juli 1856. Voor de inventaris zie inv. nr. 396.

(54) Inv. nr. 396. Zie ook Verslagen der bedrijven, diensten en commissies van Amsterdam 1932, nr. 1, Verslag Gemeentelijke Archiefdienst, 8.

(55) Inv. nr. 311, 15 mei 1873.

(56) Van de dertig protocollen van schout en schepenen, 1581-1811, die (met hiaten) in 1856 nog aanwezig waren, zijn er nu nog 24 over. De vier schepenenminuutregisters, 1735-1796 zijn verloren gegaan, evenals zeven van de tien registratieboeken van schout en schepenen en het consignatieboek, 1723-1761. De drie weesboeken met een kasboek van de weeskamer, waarvan in de inventaris van burgemeester Schuijt door burgemeester de Vos is opgegeven, dat ze niet meer aanwezig waren, zijn wel behouden gebleven. Verder werden als verloren opgegeven twee verpondingsboeken van landerijen, 1788-1810, en een verpondingskohier van huizen, 1734-1789, de ambachtsrekeningen, 1767-1810 (staatscouranten). Van de zes morgentalenboeken uit de oude inventaris wordt in het latere p.s. niets gezegd, nu zijn er mogelijk twee van over. Ingekomen stukken van voor 1811 worden vermeld zonder opgave van de omvang; in 1873 werden ze als verloren opgegeven. Van de doop-, trouw- en begraafregisters wordt in de inventaris van 1856 slechts een klein deel vermeld, voornamelijk 'extracten'. Drie delen trouwregisters van Houtrijk en Polanen, 1709-1778, lijken verloren te zijn gegaan. Van het archief van na 1811 blijken verloren gegaan te zijn: kasboek van de weeskamer, 1716-1852; notulen van de raad, 1813 en 1814; ingekomen stukken, 1811-1855; stukken betreffende de Nationale Militie, 1817-1855; Stukken betreffende de schutterij, 1827-1855. Uit correspondentie kort na de brand blijkt, dat een register van geboorteakten is afgeschreven van de 'dubbelen' (inv. nr. 306, 24 juni 1859). De inventaris van 1873 is vervaardigd door H.J. Calkoen, ambtenaar ter secretarie.

(57) Inv. nr. 313, 30 juni 1877.

(58) Inv. nr. 316, 29 juni 1882.

(59) Gemeenteverslag 1893.

(60) Inv. nr. 116, 6 mei 1899.

(61) Inv. nr. 537.

(62) Inv. nr. 78, 14 mei 1909; zie ook inv. nr. 634.

(63) Inv. nr. 257, 11 december 1920.

(64) Verslag Gemeentelijke Archiefdienst 1921, p. 5.

(65) Idem 1941, p. 3.

(66) Inv. nr. 396. De lijsten zijn respectievelijk door K.F. Kikkert en P.A. Boeykens gemaakt. Een concordans tussen de nummering van de huidige inventaris en de lijst van P.A. Boeykens is achter de inventaris als bijlage toegevoegd.

(67) Inv. nr. 127.

(68) N.B. 1863 ontbreekt.

(69) GAA, arch. 5008, inv. nrs. 77-121.

(70) Bronnen: Wagenaar, Amsterdam, Elias, Vroedschap en arch. 5023, Groot Memoriaal.

(71) Bronnen: inv. nrs. 16-39; arch. 5014, Stadsrekeningen; arch. 5023, Groot Memoriaal; arch. 5028, Stukken betreffende verscheidene onderwerpen, mag. nr. 615; arch. 5039, Thesorieren ordinaris, inv. nrs. 255-347; arch. 329, Hervormde gemeente Sloten inv. nr. 250.

(72) Arch. 341, inv. nr. 58-84: notulen van de raad.

Literatuur en kaarten

- Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, 13 delen, Gorinchem, 1836-1851.

- Adresboek van Sloten (N.-H.). Admiraal de Ruyterkwartier, Jacob Mariskwartier (b/d Overtoom), de Baarsjes, Sloterdijk, Sloten en Osdorp. Naar officiële gegevens bewerkt. Met twee kaarten, Sloten, 1918(2e).

- Alberts, W.J., De geboorte en groei van de Nederlandse gemeente, Alphen a/d Rijn, 1966.

- Algemeen Adresboek der stad Amsterdam.

- Basis archiefcode voor de gemeentelijke, regionale en provinciale administraties, Z.p., [1979].

- Blécourt, A.S. de, Ambacht en gemeente. De regeering van een Hollandsch dorp gedurende de 17e, 18e en 19e eeuw, Zutphen, 1912.

- Brünner, E.C.G., De order op de buitennering van 1531. Bijdrage tot de kennis van de economische geschiedenis van het graafschap Holland in de tijd van Karel V, Utrecht, 1918.

- Cock, J.K. de, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag, Groningen, 1965.

- Code archiefordening en documentatie voor de overheidsadministratie, 's-Gravenhage, 1952(6e).

- Choro-topografische kaart der noordelijke provinciën van het Koninkrijk der Nederlanden [1823], heruitgave Bussum, z.j.

- Courier d'Amsterdam, 1810-1811.

- Departementaal dagblad van de Zuiderzee en Amsterdamsche Courant, 1814.

- Division de la Hollande en départemens, arrondissemens et justices de paix. Verdeeling van Holland in departementen, arrondissementen en vredegerechten, Amsterdam, 1811.

- Domselaer, T. van, Beschrijvinge van Amsterdam, Amsterdam, 1665.

- Elenbaas, J.N. Handboek voor den burgerlijken stand. Bewerkt door A.J.G.P. Septer, Alphen a/d Rijn, 1936(4e).

- Elias, J.E. De vroedschap van Amsterdam, 1578-1795. Amsterdam, 1963(2e).

- Fockema Andreae, S.J. (ed.) Het hoogheemraadschap van Rijnland. Zijn recht en zijn bestuur van den vroegsten tijn tot 1857. Leiden, 1934. Gemeenteblad van Amsterdam.

- Idem. Kaart van Rijnland door Floris Balthasar, 1610-1615. 's-Gravenhage, 1929.

- Gemeentewet. Tekstuitgave der wet van 29 juni 1851 (St.bl.850), regelende de samenstelling, inrichting en bevoegdheid der gemeentebesturen, waarin opgenomen de daarin aangebrachte wijzigingen tot en met de wet van 14 januari 1954 (St.bl.5), Z.P., z.j.(6e).

- Glaudemans, C. Inventaris van de oude archieven van de tegenwoordige gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 1407-1811, z.p., 1824.

- Gouw, J. ter, Geschiedenis van Amsterdam, 8 delen, Amsterdam, 1879-1893.

- Groesbeek, J.W. Amstelveen. Acht eeuwen geschiedenis, Amsterdam, 1966.

- Hartong, O.A.W.M. en A.J. den Teuling, 'De financiële administratie der gemeenten, 1924-1976', Nederlands Archievenblad LXXX (1977) 297-322.

- Heinemeijer, W.F. e.a., Amsterdam in kaarten. Verandering van de stad in vier eeuwen cartografie, Ede, 1987.

- Hofman, W. (ed.) Historische plattegronden van Nederlandse steden, Dl. 1, Amsterdam, Alphen aan de Rijn, 1978.

- Jansen, C.H. 'Geschiedenis van de Amsterdamse ambachtsheerlijkheden, 1795-1848', Tijdschrift voor geschiedenis LXXVIII (1965) 417-431.

- Jonge van Ellemeet, B.M. de, Inventaris van de oud-rechterlijke en weeskamerarchieven, 's-Gravenhage, 1932.

- Kemper, J.M. Jaarboeken van het Fransche Regt en de Fransche Regtsgeleerdheid voor de Hollandsche Departementen, I, Amsterdam, 1812.

- Kocken, M.J.A.V. Van stads- en plattelandbestuur nar gemeentebestuur. Proeve van een geschiedenis van ontstaan en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en met de gemeentewet van 1851, Z.p., 1973.

- Koninklijke courant, 1807-1810.

- Kooiman, D. De zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland, Haarlem, 1936(3e).

- Kuyper, J. Gemeente-atlas van Nederland, naar officiële bronnen bewerkt, Dl. 4: Noord-Holland, Leeuwarden, [1865-1882].

- Martens van Sevenhoven, A.H. De justitieele colleges in de steden en op het platteland van Holland, 1795-1811, Utrecht, 1912. - Melief, P.B.A. De strijd om de armenzorg in Nederland, 1795-1854, Groningen/Djakarta, 1955.

- Moniteur d'Amsterdam, 1810.

- Nierop, H.F.K. van. Van ridders tot regenten. De hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, Amsterdam, 1984

- Idem. '"Het Quaede regiment". De Hollandse edelen als ambachtsheer, 1490-1650'. Tijdschrift voor Geschiedenis 93 (1980) 433-444.

- Noordkerk, Handvesten ofte privilegiën ende octroyen mitsgaders willekeuren, costuimen, ordonnantiën en handelingen der stad Amstelredam, 5 dln., Amsterdam, 1748-1778.

- Ollefen, L. van, De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Amsterdam, 1793-1796.

- Ramaer, J.C. De omvang van het Haarlemmermeer en de meren waaruit het ontstaan is, op verschillende tijden voor de droogmaking. Met 7 kaarten, Amsterdam, 1892.

- Rapport der provinciale commissie ter bestudering van de gemeentelijke indeling van Noord-Holland. Dl. I Algemene beschouwingen en Dl. II Voorstellen der commissie voor ... het gebied Amsterdam, Haarlem, 1949 en 1959.

- Reglement op het bestuur ten platten lande in de provincie Holland, Z.p., [1825].

- Rooy, P. de, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding, 1917-1940. Landelijk en Amsterdams beleid, Amsterdam, 1979.

- Schmal, H. en T. Stol, 'Vorming en omvorming van de polder Rietwijkeroord', in: Geplaatst in de tijd. Liber amicorum M.W. Heslinga, Amsterdam, 1984.

- Sleeswijk's kaart van Amsterdam en omstreken voor wandelaars, wielrijders en automobilisten, naar officiële gegevens bewerkt, Bussum, z.j.

- Smit, H.J. 'De armenwet van 1854 en haar voorgeschiedenis', in: Historische opstellen, aangeboden aan J. Huizinga ... door het Historisch Gezelschap te 's-Gravenhage, Haarlem, 1948.

- Smith, E. 'Koop of spel. Eenige aantekeningen uit de geschiedenis van den aankoop door Amsterdam der ambachtsheerlijkheden van Amstelveen, Sloten, Sloterdijk en Osdorp van Reinout van Brederode in 1529', Jaarboek Amstelodamum XXXVI (1934) 39-86.

- Staatkundig dagblad van het departement der Zuiderzee, 1811-1813.

- Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, 1816.

- Staatsblad der Vereenigde Nederlanden, 1813-1815.

- Tegenwoordige staat der Vereenigde Nederlanden, dln. XIV-XVIII, Beschrijving van Holland, Amsterdam, 1742-1750.

- Verslagen der bedrijven, diensten en commissies van Amsterdam, Nr. 1 Gemeentelijke Archiefdienst.

- Vries Azn., G. de, De zeeweringen en waterschappen van Noord-Holland, Haarlem, 1894(2e).

- Idem. Het dijks- en molenbestuur in Holland's Noorderkwartier onder de grafelijke regeering en gedurende de Republiek, Amsterdam, 1876.

- Wagenaar, J. Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterye, gilden en regeeringe, 3 dln., Amsterdam, 1760-1767.

Bijlagen

Lijst van "ambachtsheren" (70)

Heyman Jacobsz van Ouder-Amstel,1531

Cornelis Sybrandsz. Buik,1541

Simon Maarten Dirksz. van de Ruwiel,1560

Jacob Gerrit Teeuwsz.,1574

mr. Willem Bardesius,1579

Gerrit Bicker Pietersz.,1604

Jacob de Graef Dircksz.,1604

dr. Andries Bicker,1629

Cornelis de Graef,1652

mr. Henrik Hooft,1664

Johannes Hudde,1679

mr. Dirk Bas,1704

mr. Gerrit Hooft,1709

Gerbrand Pancras Michielsz.,1717

mr. Jan Trip,1721

mr. Mattheus Lestevenon,1733

mr. Pieter Six,1744

mr. Gerrit Hooft,1756

mr. Daniel Deutz,1768

Willem van Heemskerk,1775

mr. Willem Gerrit Dedel Salomonsz,1784-1795

Lijsten van schouten-secretarissen (71)

schout,secretaris

mr. Jan Coster,1522-1524

Dirck Snyder,1524-1532

IJsbrant Willemsz/Wallichsz,1532-1539

Heijn Loen,1539-1540

Heijn Pietersz Ton,1540-1546

Dirck Henricxzn Ton,1546-1558

Frans Jansz,1558-1566

Pouwels Egbertsz,1566-1569

Vechter Henricxzn Boen,1569-1578

Claes Cornelisz van Oissanen,1578-1585

Luyt Jansz,1586-1604

Cornelis Jansz,1595-1597

Pieter Pietersz (van Amstelveen),1601-1606

Huybert Pouwelsz (van Osdorp),1604-1614

Crispijn Pietersz,1606-1623

Pieter Huybertsz,1614-1629

Jan Jacobsz Sampson,1623-1635

Pieter Huybertsz (jr),1629-1639

Jan Pieter Huybertsz/Jan Pietersz Oostdorp,1639-1661

Claes Pietersz van den Hoorn,1652-1663

Steven van Helsdingen,1661

Jacob van der Does,1663-1673

1669-1670

Jacob Fabritius,1673-1674

Nicolaes van der Voort,1674-1676

Jacob de Burghorst,1661-1684

mr. Pieter Ruijl,1676-1703

Simon Tengnagel,1685-1720

1698, 1702

mr. Paulus van Beseler,1703-1761

1720

Joost Zaal,1720-1734

Nicolaas Zaal Joostzn,1734-1766

Isaac Hen,1759-1761 1761-1762

Wijnand Alstorphius,1766-1779

Jan Everwijn Glimmer,1762-1790

1779-1790

mr. Cornelis Backer jr.,1790-1795

Albertus Jan Klaus,1795

Adrianus Hanenberg,1795-1809

Mathijs Hanenberg,1809-1811,1803-1811

Lijst van burgemeesters-secretarissen (72)

burgemeester,secretaris

Thomas Reedemeester,1811-1812

Mathijs Hanenberg,1812-1837

Petrus Johannes Schuijt,1837-1863

Lodewijk Hendrik van Sonsbeeck,1864-1868

C. de Vos,1869-1880

jhr. F.W.H.P.J. Martini van Geffen,1881-1883

C.W.A.M. Groskamp,1884-1909

jhr. A.H.P.K. van Suchtelen van de Haare,1909-1920

J.C. Zaalberg,1909-1920

Archiefvormers