88
1660 - 1942
In 1917 besloot mr. A. Brants, griffier van de Provinciale Staten van Gelderland, zijn kostbare familie archief te schenken hetzij aan het Gemeente-Archief van Amsterdam, hetzij aan het Economisch Historisch Archief te 's Gravenhage. Door bemiddeling van de rijksarchivaris in Gelderland kreeg mr. W.R. Veder, de gemeente archivaris van Amsterdam, hiervan bericht met het verzoek zijn mening hieromtrent mede te delen. Gebrek aan plaatsruimte maakte, dat mr. Veder meende niet zonder meer het aangebodene te kunnen aanvaarden. Hij antwoordde, dat hij het archief gaarne zou bestuderen en eventueel daaruit de stukken, die voor de geschiedenis van Amsterdam van speciaal belang waren, wilde lichten. Gelukkig verzette de eigenaar zich echter hiertegen, daar hij overtuigd was, dat in ieder geval het archief als een geheel bijeen moest blijven. Mr. Veder berichtte daarop, dat hij in dat geval van mening was, dat alles in Amsterdam het best tot zijn recht kwam.
Voorlopig bleef het archief in Arnhem, in de eerste plaats omdat de heer Brants er zelf nog het een en ander uit wilde raadplegen, in de tweede plaats omdat de ordening niet mogelijk zou zijn wegens het niet stoken door gebrek aan brandstoffen op het Amsterdamse Gemeente-Archief.
Op 14 augustus 1919 kwam het archief, verpakt in tien kisten, tenslotte echter in Amsterdam aan. Op verzoek van de schenker zouden de eigenlijke familiepapieren eruit worden genomen en aan hem worden teruggezonden. In het verslag van de gemeente-archivaris van 1919 vinden wij onder de aanwinsten als schenking van Mr. A. Brants, oud-griffier van de Staten van Gelderland: 'De koopmansboeken en correspondentiën van en de firma Brants en Neufville Brants (18e en begin 19e eeuw).' De omschrijving was wat vreemd, zoals de gebruikers van de thans opgemaakte inventaris zelf zullen kunnen vaststellen. Blijkbaar is men ook toen nog niet direct aan de ordening van het archief begonnen en had men dus slechts een oppervlakkige indruk van de inhoud.
De familiepapieren zullen na de ordening teruggezonden zijn naar Arnhem. In 1949 gaf mr. A. Brants, een neef en naamgenoot, oud-procureur-generaal te 's-Gravenhage, deze ter completering van het familie-archief aan het Gemeente-Archief van Amsterdam ten geschenke. Deze schenking bestond uit 39 omslagen, twee delen en één doos. Tegelijkertijd gaf hij een portefeuille met een aantal genealogische papieren betreffende zijn familie aan het Centraal Bureau voor Genealogie te 's Gravenhage. Daar hiertussen verschillende archiefstukken terecht waren gekomen en daar ook de genealogische aantekeningen van belang waren voor de geschiedenis der familie, was het bestuur van het Centraal Bureau voor Genealogie van mening, dat deze papieren het best tot hun recht zouden komen als onderdeel van het familie-archief en het stond deze daarom in 1958 af aan het Gemeente-Archief. Dank zij deze vriendelijke medewerking berust thans het gehele oude familie-archief Brants, behoudens één nog te vermelden uitzondering, op het Gemeente-Archief te Amsterdam.
De familie Brants draagt deze naam pas sinds het laatst van de 17de eeuw, toen de vier kinderen van Jan Brantsen en Grietje Claesdr zich regelmatig in plaats van Jansz en Jansdr Brants gingen noemen. Aanvankelijk, eind 16de, begin 17de eeuw, heette de familie Speck, zoals men uit de stamboom kan zien, om zich daarna weer met patronymen aan te duiden. Jan Jansz Speck, de stamvader, een Buiksloter visser, werd op 17 februari 1582 poorter van Amsterdam. Crijn Jansz (Speck) was waarschijnlijk de jongste van de zes kinderen en zal in 1583 of 1584 in Amsterdam zijn geboren. De familie maakte vijf generaties lang deel uit van een groep eenvoudige vissers, viskopers en waterscheepslieden (waterschepen dienden voor het vervoeren en bewaren van vis). Blijkens de huwelijken van de kinderen van Jan Jansz Speck behoorde de familie tot de gereformeerde kerk. Crijn Jansz trouwde daar ook in 1605, maar zijn kinderen werden voor zover na te gaan niet gedoopt. Blijkbaar had Trijn Brants, zijn vrouw, toen reeds doopsgezinde sympathieën. Op 9 december 1618 liet zij zich door de doop bij de Waterlandse Gemeente opnemen en volgde daarmee het voorbeeld, dat haar moeder, Neel Lourens, 'een weduw, die met visch ommegaet', op 1 januari 1614 had gegeven. Haar zoon Brant Crijnen werd met zijn vrouw, die ook van doopsgezinde ouders was, in december 1629 lid van deze gemeente. Sedertdien bleef de familie steeds doopsgezind.
Eigen graven bezat de familie in de 17de eeuw nog niet. Het feit, dat de vrouwen nog tot diep in de 17de eeuw soms niet in staat bleken te zijn hun handtekening te zetten de mannen deden dit voor het eerst in de derde generatie wijst eveneens op de betrekkelijk bescheiden levensstandaard van de familie. Toch verwierf zij zich wel enig bezit. Op 3 mei 1595 verklaarde Jan Jansz Speck, de stamvader, 530 gulden schuldig te zijn Lenert Pietersz voor een huis in het Hameters of Herodessteegje buiten de Jan Roodenpoort, dat hij en later zijn nakomelingen tot midden in de 17de eeuw bewoonden. De gemeenschappelijke boedel van Jan Jansz Speck en zijn vrouw bleek in 1614 na beider dood een waarde van fl. 1725 te hebben, waarbij dan nog het bovengenoemde huis kwam (lade weeskamer 61). Ofschoon de zoon, Crijn Jansz, ook een huis in de Boomstraat van zijn vrouws familie in bezit kreeg, bedroeg de waarde van de gemeenschappelijke boedel na beider dood bij de scheiding op 19 juni 1652 voor notaris Van Loosdrecht niet meer dan fl. 2.225:7:4.
Langzamerhand moet het familievermogen echter groter zijn geworden. Jan Brantsen, de kleinzoon van Crijn Jansz, oefende nog het voorvaderlijk bedrijf van viskoper uit, maar kon toch aardig wat geld in kleine huizen
beleggen. In 1674 werd hij, toen 45 jaar oud, nog tijdens het leven van zijn moeder aangeslagen voor een onroerend bezit van fl. 10.000.
Met de jongste zoon van Jan Brants, Crijn of Quirijn geheten, die in 1668 was geboren, zou de situatie van de familie echter geheel veranderen. Zijn huwelijk met Hester van Mollem, dochter van Adriaan en Sebilla van Halmael en
weduwe van mr. Simon van Bronchorst, bracht hem in geheel andere, veel deftiger doopsgezinde kringen dan waarin zijn familie tot nu toe had verkeerd. Ook het kapitaal van fl. 67.000, dat zij aanbracht, waaronder een hofstede in Nichtevecht, kan hem niet onwelgevallig zijn geweest. Quirijn Brants moet het echter grotendeels aan zijn eigen bekwaamheid en handigheid te danken hebben gehad, dat hij opeens zo ver omhoog kwam, en mede aan het toeval. Wij kennen sedert 1697, het eerste jaar waaruit boeken zijn bewaard, zijn zakelijke ondernemingen, die op allerlei gebied lagen, o.a. bevrachtingen van schepen tezamen met een zekere Philip Cosson.
Deze Philip Cosson was omstreeks 1648 te Leiden geboren, had in 1668 een rekening bij de Amsterdamse wisselbank gekregen en was in 1676 in Amsterdam getrouwd met Johanna de l' Espaul. Hij was, althans in later jaren, de vertegenwoordiger van de Zweeds-Hollandse familie De Geer, die grote ijzer- en geschutleveranties in Holland deed. Quirijn Brants zelf geeft ons een uitvoerige beschouwing over zijn relatie met deze Philip Cosson. Toen hij hem in maart 1714 eens toevallig op straat tegenkwam, werd hij door hem 'op een pijpje' genodigd. Bij het roken van dat pijpje vroeg Cosson hem om hem voortaan te assisteren. Hij dacht zelf namelijk niet lang meer in de negotie te blijven en bij de heren De Geer, die Quirijn allang hadden gekend, zou die er zo gemakkelijk in raken. Quirijn diende dan echter niet steeds op zijn hofstede te blijven. Quirijn verzekerde daarop Cosson, dat hij nooit een goed hofsteder was geweest, maar daar alleen ter wille van zijn vrouw vertoefde. Van zijn kant vroeg hij een gedeelte van de provisie en eiste ook, dat Philip Cosson voortaan Ph. Cosson en comp. zou tekenen, daar hij niet als boekhouder bij hem wenste te komen.
Zo kwam Quirijn Brants van 30 maart 1714 af dagelijks vóór de middag bij Philip Cosson op kantoor. Over betaling werd echter niet gerept. Op 17 december vroeg Quirijn tenslotte om afrekening van de provisie, waarop Cosson hem 1/4 aanbood. Quirijn antwoordde, dat hij niet werkte voor 1/4 of 1/2 % van de provisie der commissiën, maar om de gevolgen'. Het gesprek werd afgebroken, omdat Quirijns huisknecht hem kwam vertellen, dat er plotseling bezoek was gekomen.
In 1715 en 1716 werd het ijzer door Charles de Geer bij contract aan Joan Bouwens gezonden, maar daar De Geer die contracten steeds maar voor een jaar maakte, gaf Quirijn Brants de hoop op de toekomstige relatie niet op. In 1717 werd hij ziek en bij zijn terugkeer vroeg hij opnieuw aan Cosson om provisie en bovendien om zijn belofte na te komen en te tekenen als Cosson en comp. Cosson bood hem 1/4 % van de provisie van de De Geer-zaken aan, maar Brants eiste 1/4 % van alle zaken. Met dit gesprek kwam een einde aan de samenwerking. Hij had echter in de familie De Geer een vertrouwde vriend gemaakt, namelijk Willem de Geer te Utrecht, die met hem in geregelde correspondentie bleef staan.
Op 26 oktober 1728 werd Philip Cosson, van zijn huis op de Keizersgracht bij de Hartenstraat uit, begraven in de Walenkerk. Hij had, zoals hij ook vroeger had gezegd, geen opvolger in zijn zaak. Zijn enige zoon, Isaac Jan, was blijkens
zijn vaders testament van 19 april 1712 voor notaris mr. Jan Schrick, weinig geslaagd in het leven. Belangrijker was, dat Philip Cosson bij zijn dood op 20 oktober 1728 weer alle zaken van de familie De Geer bleek te behartigen. Ongetwijfeld heeft Willem de Geer, die vlak daarna zou sterven, nog voor Quirijn Brants gepleit. Op 23 oktober 1728, dus direct na de dood van Philip Cosson, verklaarde Jan Jacob de Geer te Utrecht, Willems broer, dat voortaan Quirijn Brants als opvolger van Philip Cosson zijn commissiën en affaires zou waarnemen. Zo hebben Quirijn Brants en na hem zijn zoon Jan en zijn kleinzoon Jan Jacob gedurende bijna een eeuw de zakelijke belangen van de familie De Geer in ons land behartigd. De daaraan annexe handel in ijzer en geschut en ook andere Zweedse produkten moge wat merkwaardig zijn geweest voor deze oprecht doopsgezinden, zij vormde intussen een hoofdbestanddeel van de zaken, die de firma Quirijn Brants, sedert 1 mei 1734 de firma Quirijn Brants en zoon, dreef. Daarnaast hadden zij natuurlijk ook wel andere zaken, maar men krijgt de indruk, dat die slechts van betrekkelijk gering belang waren.
Jan Jacob Brants, geboren in 1741, was de laatste deelgenoot in de firma Quirijn Brants en zoon. Voor zijn vijf zonen achtte hij deze zuivere familiezaak blijkbaar een minder gelukkige en misschien te riskante manier van zaken doen. De laatste, thans bewaarde, boeken van de firma Quirijn Brants en zoon dateren van 1800. In 1790 houdt de rekening van de firma bij de wisselbank op. Tot 1814 vinden wij de firma echter in de adresboeken, dat wil dus zeggen tot kort na de dood van Jan Jacob Brants, die in 1813 stierf. De firma moet toen echter al sedert jaren niet meer dan in naam bestaan hebben.
Voor zijn zonen stak Jan Jacob Brants geld in een aantal kleinere ondernemingen, waar zij dan tezamen met anderen, in zeer verschillende combinaties, handel dreven en verzekeringen afsloten. Wij zullen hier enkele bijzonderheden over de verschillende ondernemingen laten volgen. De gebruiker van de inventaris bereide zich echter voor op een wat ingewikkelde materie:
Couderc en Brants (1785 1789). Op mei 1785 richtten Jean Samuel Couderc en Jan Brants, de oudste zoon van Jan Jacob Brants, voor notaris Van Beem een compagnieschap van handel en negotie op, in te gaan met 1 juni 1785.
Couderc, Brants en Changuion (1789 1803). Op 1 juli 1789 werd voor notaris Gerrit Bouman een nieuwe compagnieschap opgericht met ingang van die datum, waaraan behalve de twee bovengenoemden ook Daniël Changuion deelnam. De compagnieschap bleef ook na de dood van Jan Brants, op 22 maart 1793, voortbestaan onder deze naam. Op 14 juni 1793 sloten Jean Samuel Couderc en Daniël Changuion echter een nieuw contract voor notaris Van Beem. Bij contract van 14 december 1796 trad nog Willem Six tot deze compagnieschap toe en bij contract van 22 november 1799, alles voor dezelfde notaris weer, een lid van de familie Brants en wel David. Op 31 december 1803 werd deze compagnie opgeheven. De liquidatie nam echter nog vele jaren in beslag. Op 28 december 1818 vond een afrekening met de familie Changuion plaats voor notaris Toe Laer. De erven van David Brants en van F.I. Couderc bleven toen echter nog belangen houden in deze compagnieschap in liquidatie.
Couderc, D. en M.P. Brants (1804 1829, etc.). Op 29 december 1809 werd voor notaris Van Beem een nieuwe compagnieschap opgericht, in te gaan op 1 januari 1804, tussen J.S. Couderc, David Brants en Mattheus Pieter Brants. Deze firma is steeds onder die naam blijven voortbestaan, ook na de dood van J.S. Couderc op 9 april 1807 en van David Brants op 6 december 1808. Op 30 december 1807 werd voor notaris Van Beem, op 25 april 1809 voor notaris Berkman besloten tot continuatie. Sedertdien waren de voogden van François Isaac Couderc en M.P. Brants deelgenoten. Blijkens een contract van 27 februari 1811 voor dezelfde notaris werd op 1 januari 1811 ook nog Ch.F.M. de Lepel als associé opgenomen. Deze Ch.F.M. de Lepel, die blijkens de boeken al van het begin van het bestaan van de firma Couderc en Brants af daarbij werkzaam was, was na het overlijden van J.S. Couderc met diens weduwe getrouwd. Op 23 februari 1818 werd voor notaris Berkman een contract van continuatie gesloten door M.P. Brants, F.I. Couderc, ditmaal persoonlijk, en Ch.F.M. de Lepel.
Op 31 december 1829 werd Couderc, D. en M.P. Brants opgeheven wegens het overlijden van M.P. Brants en het terugtrekken van Ch.F.M. de Lepel. Willem Poel, de kantoorbediende, die een nieuw etablissement zou openen, werd in een circulaire aan de cliëntele aanbevolen. De compagnieschap Couderc, D. en M.P. Brants moet echter nog jarenlang in liquidatie zijn gebleven en uit de bewaarde boeken krijgt men de indruk, dat ook nog nieuwe zaken op naam van deze firma werden ondernomen. Dit geschiedde niet door bovengenoemde Willem Poel, maar door de firma De Lepel en Labouchère. Op 29 mei 1832 sloot Ch.F.M. de Lepel namelijk met zijn schoonzoon, Pierre Caesar Labouchère, een akte van compagnieschap onder de firma De Lepel en Labouchère, welke firma op 1 juni 1832 zou ingaan. Op 14 juni deponeerde hij deze akte bij de rechtbank voor koophandel. Over de verdere gang van zaken bij deze firma licht Claude Daniël Crommelin ons in door zijn algemeen overzicht van Amsterdamse handelszaken uit 1854: 'Couderc, D. en M.P. Brants, De Lepel en Labouchère. Groote zaken met Frankrijk etc. gehad, doch successief verminderd, eindelijk de zaken opgegeven, omdat er te weinig encouragement was om met jongere leden te continueeren. Laatstelijk nog een jonge Labouchère, knap, begeerig te werken, maar geen kans gezien, naar 't schijnt, 't hier op te werken, en weggegaan; daarna 't huis hier finaal geliquideerd.' (Ec. Hist. Jaarboek VII, 201).
Compagnie de Ceres (1796 1884). Op 17 februari 1796 werd te Amsterdam de compagnie de Ceres opgericht, die landen in Pennsylvania zou kopen, onder directie van de huizen R. en Th. de Smeth en Couderc, Brants en Changuion. Op 26 februari 1817 kwam de directie aan Couderc, D. en M.P. Brants en S. en D. Saportas, gevolgd door De Lepel en Labouchère om te eindigen bij P.C. Labouchère en Van Heukelom en Vollenhoven. Op 12 juli 1884 had de laatste verkoop van grond plaats. (Vgl. P.J. van Winter, Het aandeel van den Amsterdamschen handel aan den opbouw van het Amerikaansche Gemeenebest, II, 344 363).
Geheel onafhankelijk van deze handelszaken, hoewel die er wel gedeeltelijk met geld in geïnteresseerd waren, zijn de volgende vier assurantie-sociëteiten geweest:
Couderc, Brants en compagnie (1786 1826). Op 15 februari 1786 werd voor notaris Nahuys een comptoir in assurantiën opgericht, te beginnen 1 maart 1786 onder directie van J.S. Couderc en Brants. Deelnemers waren Couderc en Brants voor 2/9, Jan en Carel Hasselgreen voor 2/9, Jan Jacob Brants voor 1/9, Jan de Lanoy voor 1/9, Charles Changuion voor 1/9, Hartman en Robberts voor 1/9 en Jean Texier, Angely en Massac voor 1/9. Bij een volgend contract van 3 juli 1793 voor notaris Van Beem viel de firma Jean Texier, Angely en Massac af en hielden de andere deelnemers ieder 2/8 of 1/8 part. Na de dood van Jan Brants heeft J.S. Couderc, eerst tezamen met Jacob Brants, sedert 1 januari 1801 tezamen met David Brants de leiding gehad. De aandelen werden toen ook anders verdeeld, namelijk 2/7 voor Jan en Carel Hasselgreen, 2/7 voor Couderc, D. en M.P. Brants, 2/7 voor J.S. Couderc en 1/7 voor Jan Jacob Brants. Bij akte van 16 maart 1809 voor notaris Berkman werd de verhouding van ieders aandeel weer gewijzigd: 6/21 voor Jan en Carel Hasselgreen, 6/21 voor Couderc, D. en M.P. Brants, 4/21 voor de executeuren van J.S. Couderc, 3/21 voor Jan Jacob Brants en 2/21 voor M.P. Brants privé. Uit deze akte blijkt tevens, dat M.P. Brants sedert het overlijden van zijn broer David de directie had. Op 31 december 1826 werd de sociëteit beëindigd, op 27 december 1827 vond een afrekening voor notaris Berkman plaats.
M.P. Brants en Comp. (1827...). Op 15 februari 1827 werd als voortzetting van de hiervoor besprokene een nieuwe sociëteit of rederij van assurantie opgericht, zoals blijkt uit de akte van deponering van 1 maart 1827 bij de rechtbank van koophandel. M.P. Brants had de directie. Geïnteresseerden waren verschillende leden van de familie Brants, verder Ch.F.M. de Lepel en tenslotte de firma Couderc, D. en M.P. Brants. Hoelang deze sociëteit in wezen is gebleven, blijkt niet.
Couderc en Brants (1793...). Op 28 juni 1793 werd voor notaris Van Beem een tweede assurantiesociëteit opgericht, onder de bovengenoemde naam (niet te verwarren met de gelijknamige handelsfirma, die tussen 1785 en 1789 bestond). Reeds met ingang van 1 januari 1793 was deze sociëteit begonnen, onder directie van J.S. Couderc en Jacob Brants met kapitaal van Couderc, Brants en compagnie. Blijkens een akte van 29 juli 1801 voor notaris Van Beem nam David Brants op 1 januari 1801 de plaats van zijn broer Jacob in en ook zijn aandeel in het kapitaal over, tegelijk met dat in Couderc, Brants en Compagnie. Tot wanneer deze sociëteit bestond, blijkt niet.
De Neufville Brants en Compagnie (1801...). Op 28 en 29 mei 1801 werd bij akte voor notaris Van Beem deze assurantiesociëteit opgericht, die reeds 15 mei 1801 een aanvang had genomen. Deel hierin namen Jan Isaak de Neufville Brants voor 2/8 en verder Jan en Carel Hasselgreen, Jacob Dull en zonen, Christiaan Gothelf Meyer en zonen, Jean Samuel Couderc, Jan Jacob Brants en Cornelis Backer Henricksz ieder voor 1/8. Jan Isaak de Neufville Brants had aanvankelijk de directie, na zijn dood zijn broer David Brants en tenslotte de
jongste broer, Mattheus Pieter Brants. De laatste maal, dat wij de sociëteit in de archieven vermeld vinden, is in 1820.
Tenslotte waren er nog twee zaken, waarin Jan Jacob Brants voornamelijk ten behoeve van zijn kinderen geld stak:
De firma C.F. Heuerman, fabriek in gazen. Hierin nam Jan Jacob Brants, blijkens akte voor notaris De Wilde sedert 4 oktober 1785 met geld deel, tezamen met Christiaan Fredrik Heuerman, die de leiding had van de zaak, welke in 1785 was overgenomen van de erven van de weduwe Barrau (archief van vóór 1785 berust in het archief der Waalse Gemeente nr. 630 639). Het contract van 1785 werd op 31 december 1790 voor notaris De Wilde beëindigd en bij akte van dezelfde datum volgde Jan Isaak de Neufville Brants zijn vader op; dat wilde zeggen, dat hij controle over de zaken had, zich echter niet met de uitvoering bemoeide. Na Jan Isaaks dood bleef zijn weduwe geïnteresseerd in deze zaken, zoals blijkt uit een machtiging van 31 januari 1807 voor notaris Van Beem op haar broer en zwager David Brants om de fabriek in gazen en ook de houtnegotie en compagnieschap met de weduwe Floris Kat en zoon te continueren. De firma Heuerman vinden wij tot 1819 in de adresboeken.
't Hoen en Brants (1792 1794). Op 31 mei 1792 werd voor notaris E.M. Dorper de compagnieschap 't Hoen en Jacob Brants tussen Eduard 't Hoen en Jacob Brants opgericht. Door het faillissement van A.C. Reumont te Aken was de compagnieschap niet meer in staat aan haar verplichtingen te voldoen. Op 23 december 1794 werd voor notaris Dorper het contract van 31 mei 1792 te niet gedaan; verder zou alleen een liquidatie plaats vinden. Deze liquidatie heeft tot 1809 voortgeduurd. van 23 juni tot 5 juli 1809 kocht Jan Jacob Brants bij akte voor notaris Toe Laer alle pretensiën op van crediteuren. Op 10 oktober 1809 schonk hij bij onderhandse akte aan zijn zoon Jacob de fl. 101.903:6, die hij op 't Hoen en Brants te vorderen had.
Jacob Brants, die zich al sedert 1801 geheel uit zaken had teruggetrokken, kennen wij uit het archief verder als de goedgevige, biljartende en kaartspelende oom Co. Hij stierf in 1827. Twee jaren later, op 18 maart 1829, stierf zijn jongste broer, Matheus Pieter Brants. Daarmee neemt het zakenarchief van de familie Brants feitelijk een einde, hoewel er nog het een en ander bewaard is over de zaken, die door anderen werden voortgezet.
Het is hier de plaats iets over het vermogen van de familie Brants in de 18de en het begin van de 19de eeuw te vertellen. Men krijgt de indruk mede uit de bewaarde boekhouding, dat de firma Quirijn Brants en zoon nooit zeer groot van omvang is geweest en slechts bescheiden winsten heeft opgeleverd. Het grote fortuin van Jan Jacob Brants en zijn vrouw, die net als hij enig kind was, kwam voornamelijk van de kant van zijn vrouws moeder Bevel en van die van zijn eigen grootmoeder Leeuw. Preciese cijfers zijn niet te geven, maar van deze beide kanten tezamen had de familie wel ruim fl. 1.000.000. Jan Jacob Brants bezat na zijn vaders dood, toen alle erfenissen binnen waren, bijna fl. 1.200.000. Slechts een betrekkelijk klein gedeelte kwam dus van de familie Brants en De Neufville.
Blijkens de balansen bedroeg het vermogen van Jan Jacob Brants voor zijn dood ongeveer fl. 1.600.000. De drie overlevende kinderen, die als moederlijk erfdeel al fl. 50.000 ieder hadden gehad, kregen na de dood van hun vader ieder fl. 533.333. Van de ongetrouwde Jacob Brants, die blijkbaar flink had ingeteerd en wiens nalatenschap onder beneficie van inventaris was aanvaard, kwam weer een gedeelte bij de andere staken terug.
Mattheus Pieter Brants, de jongste broer, heeft in tegenstelling tot zijn broer Jacob veel verdiend. Zijn ouderlijk erfdeel van ongeveer fl. 600.000 was bij zijn dood in 1829 aangegroeid tot ruim fl. 1.500.000, die tenslotte aan zijn enige dochter, Anna Maria Brants, kwamen. Haar levensgeschiedenis kent men uit het boekje van jhr. F.J.E. van Lennep, Honderd jaar Hartekamp.
De kinderen van Mattheus Pieters jong overleden broer Jan Isaak de Neufville Brants waren allen net als hun vader jong overleden, met uitzondering echter van de jongste zoon, Antoni. Na de voltooiing van zijn studie in de wiskunde en natuurfilosofie aan de universiteit te Leiden vestigde hij zich op Het Joppe te Gorssel en leidde daar verder het bestaan van een hereboer-landedelman. Zijn ouderlijk erfdeel was voor begrippen in de familie Brants niet bijzonder groot, daar hij niet alleen had moeten delen met zijn broer, maar ook nog met zijn halfbroers en -zuster Van Beeck Vollenhoven. Het bedroeg blijkens de balansen aanvankelijk bijna fl. 200.000, na het overlijden van oom Co ongeveer fl. 250.000. Het was blijkbaar niet overvloedig om daarvan met een groot gezin op Het Joppe te leven; uit zijn dagboeken weten wij, dat hij zich daarom in later jaren wel eens afvroeg of hij goed had gedaan Amsterdam te verlaten.
Het archief van dr. Antoni Brants is het laatste dat vrij volledig is bewaard. Het toont uiteraard een geheel verschillend beeld van al het voorgaande. Hetzelfde geldt voor de stukken, die afkomstig zijn van zijn kinderen en kleinzoon, meest juristen en werkzaam in ambtelijke betrekkingen in verschillende plaatsen van ons land.
In 1702 trouwde Quirijn Brants met Hester van Mollem, de weduwe van mr. Simon van Bronchorst. De stukken afkomstig van Hester en haar eerste echtgenoot zijn in deze afdeling ondergebracht. Daarbij kwamen nog een aantal stukken van de kant van de moeder van mr. Simon van Bronchorst. In deze afdeling zijn tenslotte nog een aantal stukken opgenomen, die betrekking hebben op de familie Kool. De twee kinderen uit het huwelijk van Mr. Simon van Bronchorst en Hester van Mollem, Katharina en Geertruyd van Bronchorst, waren getrouwd met twee broers Kool, Dirk en Jacob. Hun afstammelingen zijn steeds vrij nauwe betrekkingen met de familie Brants blijven onderhouden. Een kleindochter van Dirk Kool, Katharina Kool geheten, liet geen kinderen na uit haar twee huwelijken. Zij overleed 19 juni 1822. Haar verre neef Jacob Brants was mede-executeur en -erfgenaam. daardoor kwamen een aantal papieren, afkomstig van haar en haar voorouders, in het familie-archief.
Mr. Jan Brants trouwde in 1733 met Sara van der Heyden, de dochter van Jan van der Heyden de jonge en Christina Leeuw. Van de familie Van der Heyden zijn slechts enkele stukken bewaard gebleven, als testamenten en boedelscheidingen etc. Van de grootvader, de beroemde Jan van der Heyden, schilder en uitvinder van de slangbrandspuit, is helaas niet meer dan een testament en een boedelscheiding aanwezig. Een nazaat van hem, mr. A.C. van Eck te Delden, wiens moeder een Brants was, heeft echter weer heel wat over zijn beroemde voorvader bijeengebracht. Daaronder zijn een aantal zaken, die altijd in de familie zijn geweest, namelijk een druk van het slangbrandspuitenboek van 1735, twee manuscripten van de oude en één van de jonge Jan van der Heyden, de bijbel met aantekeningen van de laatste, tien tekeningen op branden en brandspuiten betrekking hebbende van de oude Jan van der Heyden, twee door hem getekende portretjes op perkament, een demonstratiebrandspuitje en een door Van der Heyden gedreven alliantie-wapenschildje Van der Heyden-ter Hiel, welke twee laatste in bruikleen zijn gegeven aan het Amsterdams Historisch Museum.
Veel belangrijker dan de papieren Van der Heyden is het familie-archief Leeuw. De portretten van David en Dirk Leeuw en de bijbel van de familie Leeuw, waarvan de Amsterdamse tak in 1767 uitstierf met Dirk Leeuw, zijn in gevolge van zijn beschikking van 2 mei 1766 voor notaris J. Klinkhamer gekomen aan de afstammelingen van zijn zuster Rebecca, getrouwd met ds. David van Heyst. Zij zijn thans in het bezit van mevrouw J.C. van Steyn-van Marle te 's Gravenhage. Het gehele familie-archief is daarentegen gegaan naar de afstammelingen van Jan van der Heyden de jonge en Christina Leeuw, de andere getrouwde zuster, daar haar dochter Sara, getrouwd met mr. Jan Brants, de enige erfgenaam was van de oudere broer, David Leeuw, die in 1755 stierf.
Van de oudste generaties der familie Leeuw is niet veel bewaard in het familie-archief. In de bibliotheek van het gemeente-archief berusten echter films van drie registers uit deze familie, die het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap bezit. Dit zijn van Ameldonck Leeuw een journaal van 1631 1635 en van David Leeuw een kopieboek van brieven 1669 1671 en een memoriaal van 1674 1685, betreffende de handel in stoffen (films 1416 en 1417).
Het archief, dat in de familie Brants kwam, begint - behoudens enkele testamenten etc. van oudere familieleden - met de stukken, afkomstig van Jacob Leeuw en Christina de Flines. Wat losse stukken met betrekking tot zijn zaken zijn bewaard, echter geen registers. Dat die zaken, voornamelijk een handel in stoffen, goed zijn gegaan, leren ons de boedelscheidingen na de dood van de weduwe, op 4 juni 1726 voor notaris W. Lageman en op 6 juni 1732 voor notaris Denijs, waarbij fl. 750.000 werd verdeeld; daarbij moet dan nog de erfportie zijn gekomen, die de kinderen al eerder van hun vader hadden gehad.
In 1695 had Jacob Leeuw met zijn neef en nicht Pieter van Hoven en Maria Block en een zekere Jurgen Hoffham een compagnieschap voor negen jaren gesloten om handel te drijven in Engelse stoffen en manufacturen. De familie Block had reeds sedert 1684 en al eerder met deze Jurgen Hoffham in compagnieschap zaken gedaan. Hij was een gereformeerd koopman, geboren in Bremen in 1658 en in 1684 in Amsterdam getrouwd met Phyllis Lodge, in 1701 hertrouwd met Geertruyda Gelinck. Op 21 oktober 1728 werd hij in de Oude Kerk begraven.
Na de dood van Jacob Leeuw is ook de zoon David nog verschillende jaren met Jurgen Hoffham in compagnieschap handel blijven drijven, zodat men in het archief telkens brieven vindt, die gericht zijn aan deze koopman. Aanvankelijk betitelde David Leeuw hem zelfs als patroon. Wanneer deze compagnieschap een einde heeft genomen, blijkt niet uit het archief. Waarschijnlijk was dit echter einde 1703. In de archieven van de wisselbank vindt men namelijk van 1695 tot 1703 een rekening Hoffham, Leeuw en Compagnie, en te beginnen met 1704 een rekening op naam van David Leeuw.
David Leeuw, de derde zoon uit het huwelijk van Jacob Leeuw en Christina de Flines, is ongetwijfeld de meest geslaagde van het gezin geweest. Hij heeft tot zijn dood, in 1755, grote koopmanszaken gedaan, voornamelijk in allerlei soort van stoffen. Registers en papieren daarvan zijn in groten getale bewaard gebleven. Naast die handel in stoffen had hij ook nog andere belangen, o.a. in schepen. Zijn grote fortuin - voor de collaterale successie op ruim fl. 356.000 aangeslagen, maar uiteraard veel groter - ging behoudens enkele legaten naar zijn nicht Sara van der Heyden, getrouwd met mr. Jan Brants.
Van de vijf broers van David zijn slechts wat losse stukken bewaard. De oudste, Jacob, stierf in 1711. Gilbert Leeuw ging zich na de dood van zijn vader misdragen en werd ter remedie als koopman naar Cadix gezonden. In december 1715 kwam hij in Amsterdam terug en zijn moeder vroeg toestemming hem te mogen laten opsluiten in verband met zijn slechte gedrag. (R.A. 1262, 64). Tenslotte werd hij krankzinnig en sedertdien in IJsselstein verpleegd.
De volgende broer, Ameldonck, was reeds van jong af aan innocent en werd in Weesp ondergebracht. De vijfde zoon uit het gezin, Jan geheten, zat in zijn jonge jaren als koopman in Archangel, maar verliet Rusland wegens de achteruitgang van de handel aldaar. In ons land teruggekomen raakte hij in slecht gezelschap verzeild, wat de familie - zelfs nog na zijn dood - tal van moeilijkheden bezorgde. De jongste zoon, Dirk, heeft blijkens een contract van 1716 van dat jaar tot 1726 tezamen met zijn broer David handel gedreven. Daarna blijkt daarvan niet meer.
De enige dochter van Jan Isaak de Neufville en Anna Bevel, Anna Maria genaamd, trouwde in 1764 Jan Jacob Brants. Bij de dood van haar vader, in 1772, kreeg zij met de gehele nalatenschap ook het grote zakenarchief van haar vader en haar grootvader Bevel.
Het archief De Neufville bevat enkele stukken betreffende de compagnie tussen de broers Abraham en Isaak de Neufville. Isaak, de jongste deelgenoot, de vader van de bovengenoemde Jan Isaak, stierf in 1710, zijn broer Abraham in 1721. Van 1687 tot 1722 hadden de broers 'Abraham en Isaak de Neufville' een rekening bij de Wisselbank.
De oudste zoon van Isaak, Mattheus de Neufville, was blijkens de adresseringen van brieven in later jaren in deze firma opgenomen. Hij had echter ook nog een eigen rekening bij de Wisselbank, tot 1722 toe. Van 1720 tot 1721 dateert een aantal zakenregisters van hem, die in het archief zijn bewaard. In 1722 vertrok hij naar Londen, waar hij zich met een neef, John de Neufville, associeerde. Hij keerde tenslotte weer naar Amsterdam terug, maar deed daar blijkbaar geen zaken meer.
De twee volgende zoons van Isaak de Neufville hadden tezamen een firma onder de naam 'Isaak en Pieter de Neufville', die van 1721 tot 1740 een rekening bij de Wisselbank had. Blijkens de bewaarde registers werkten zij echter al in 1716 samen. Zij worden een enkele maal fabrikeurs genoemd, dreven echter ook ongetwijfeld koopmanszaken. Isaak stierf in 1738, Pieter in 1740. Hun jongste broer, Jan Isaak, wikkelde tot 1747 de zaken van zijn overleden broers af. Daardoor is een gedeelte van het archief van deze firma - vooral uit de laatste jaren van haar bestaan - bewaard gebleven.
Het leeuwendeel van het archief De Neufville is uiteraard afkomstig van deze Jan Isaak de Neufville, een enkele maal kortweg Jan de Neufville genoemd. Hij was in de allereerste plaats koopman in linnen (vandaar zijn betrekkingen met blekers bij Haarlem en met Silezië), daarnaast echter ook wel in andere, zeer uiteenlopende zaken. Tenslotte trad hij ook nog op als reder van schepen. Sedert 1729 had hij een rekening bij de Wisselbank. Daarnaast vinden wij in de registers van deze instelling sedert 1730 ook een rekening van Jan Isaak de Neufville en comp. In juni 1730 had Jan Isaak namelijk een compagnieschap gesloten met een zekere Joan ter Meulen, die in april 1750 stierf. Enige jaren lang zette Jan Isaak daarna de handel alleen voort en liet toen uiteraard het 'en comp.' weg. Bij de Wisselbank bleef de rekening echter op naam staan van Jan Isaak de Neufville en comp., naast de reeds genoemde eigen rekening van Jan Isaak.
In januari 1758 nam hij de zoon van zuster Anna, Isaak de Neufville van der Hoop, in zijn zaak op. Voortaan werden de zaken weer gedreven als Jan Isaak de Neufville en comp. Na de dood van Jan Isaak heeft deze neef de zaken voortgezet onder de oude naam. Hij stierf kinderloos op 4 december 1801. Een verre neef, David van Lennep Coster, dreef daarna de zaak, aanvankelijk onder de oude firma, later onder zijn eigen naam.
Na het overlijden van Joan ter Meulen wikkelde Jan Isaak de Neufville zijn nalatenschap af, tezamen met Jan Croesen. Daardoor zijn er een groot aantal persoonlijke stukken betreffende Joan ter Meulen en zijn familie in het familie-archief Brants bewaard gebleven.
Op 21 augustus 1736 trouwde Jan Isaak de Neufville met Anna Bevel, de dochter van de rijke Haarlemse zijdereder en zijdehandelaar Simon Bevel, die op 6 maart 1736 was gestorven. Jan Isaaks zuster Maria vertelt met veel ophef van dit rijke huwelijk - de bruid bracht ruim fl. 500.000 mee. Aangezien zij enig kind was, kwam niet alleen het fortuin, maar ook het archief van haar vader in de familie Brants.
Simon Bevel is zijn zaken begonnen met een betrekkelijk klein erfdeel, zoals blijkt uit de stukken betreffende zijn zuster. Hij moet dus in de zijdehandel zijn grote vermogen hebben verdiend, daar zijn verdere handel - voornamelijk in enkele andere Aziatische produkten - van bescheiden afmetingen was. Hij liet de zijde overal bewerken, zoals bijvoorbeeld in Amersfoort en in Kampen.
Het archief van deze Haarlemse koopman is van groot belang voor de handelsgeschiedenis van Amsterdam, waar hij vele zakelijke relaties had. Sedert 1704 had hij een rekening bij de Wisselbank.
Een groot bezwaar is, dat het handschrift van Simon Bevel vrijwel niet is te ontcijferen. De kopieën van zijn brieven liggen daarom als een ongeordende massa in twee portefeuilles. Dat niet alleen wij dit zo ervaren, maar ook de tijdgenoten dit deden, blijkt uit een brief van de Amsterdamse burgemeester Egidius van den Bempden, met wie Simon geregeld correspondeerde over de belening van zijde. Op 25 november 1721 schreef deze althans: 'Ik can Uwe brief niet wel leesen, dewijl UE. sijn schrijfmeester watt te vroeg ontloopen sijt, echter meene Uwe intentie te sijn...'
Na de dood van Simon Bevel werden de zaken niet alleen afgewikkeld door Jan Vermout, een neef van Simons vrouw, die hem in de zijdehandel assisteerde, maar later ook door Jan Isaak de Neufville. Zo mogelijk zijn de brieven aan Jan Isaak de Neufville, die betrekking hebben op de zaken van Simon Bevel, bij het archief van deze laatste ondergebracht. Het was soms echter niet doenlijk deze brieven te scheiden van het archief van Jan Isaak de Neufville. Men dient er dan ook op verdacht te zijn, dat bij de correspondentie van deze uit de jaren 1736 en volgende brieven kunnen berusten, die betrekking hebben op de zaken van Simon Bevel.
Uit de archieven blijkt weinig of niets over de vroegere bewaring en ordening. Uit de thans aanwezige stukken kunnen wij echter wel besluiten, dat het archief van Jan Jacob Brants, bij wie het vanzelfsprekend moet hebben berust, naar een van zijn zonen is gegaan, waarschijnlijk naar Jacob, de enige ongetrouwde, die in het ouderlijk huis bleef wonen. Uit enkele oude aantekeningen als 'papieren op de Hartekamp' en 'papieren op de Wildenborch' blijkt, dat toch ook het een en ander ging naar de jongste zoon, Mattheus Pieter Brants, en naar de kleinzoon Jan Brants of achterkleinzoon Jan Isaac Brants. De aanwezigheid in de familie-archief van stukken, afkomstig van Mattheus Pieter Brants en zijn dochter Anna Maria Brants, danken wij ongetwijfeld aan de voogd over deze Anna Maria, haar oom Antoni Hartsen. Uit een enkele brief blijkt, dat ook de Van Beeck Vollenhovens van allerlei omtrent hun administratie voor de familie Brants bewaarden en tenslotte besloten dit niet te vernietigen, maar het te voegen bij het toen blijkbaar reeds befaamde familie-archief.
Het archief is buitengewoon belangrijk en als handelsarchief voor Amsterdam en ook voor ons land zelfs uniek in zijn soort. Dat wil echter volstrekt niet zeggen, dat het ook op volledigheid kan bogen. Telkens vindt men bij de bewaarde boekhoudingen en ook bij de brievencollecties enz. hiaten. In hoeverre die uit later tijd of reeds van vroeger dateren is bij gebrek aan oude inventarissen niet na te gaan.
In Amsterdam heeft dr. Joh.C. Breen, de adjunct-archivaris, zich belast met de ordening van dit omvangrijke archief, dat thans 44 meter omvat. In het jaarverslag van 1921 deelde bij mede, dat de inventaris voltooid was. Hij moet daarmee echter hebben bedoeld, dat de inventaris op het ogenblik, dat hij het jaarverslag schreef, gereed was. In een van de exemplaren van de inventaris heeft hij namelijk aangetekend, dat deze in 1922 klaar kwam. Op 1 mei 1922 volgde hij zijn voorganger plotseling op als archivaris, een geheel onverwachte gebeurtenis. Daarmee waarschijnlijk staat in verband, dat de inventaris toen zeer snel moest worden afgemaakt. Daarvan draagt deze nog steeds de sporen: stukken, die bij elkaar hoorden, bleven gescheiden; het teruggezonden familie-archief bevatte talrijke stukken van zuiver zakelijke aard, en de 19de eeuwse archieven werden min of meer ongeordend weggeborgen.
Bij die ordening zijn de delen, die blijkbaar niet alle in goede toestand verkeerden, grotendeels beplakt met kaftpapier, zodat eventuele oude opschriften verloren gingen. Getikte etiketten op de rug gaven sedertdien de inhoud aan. Er blijkt echter nergens, tenzij een notitie in het register ons helpt, of deze benamingen oorspronkelijk waren of omschrijvingen. Verder heeft men, uitgaande van de archaïstische opvattingen, die toen nog op het Gemeente-Archief te Amsterdam heersten, gemeend, dat een aantal stukken in de bibliotheek meer nut zou afwerpen dan in het archief zelf. In tal van afdelingen in de Archiefbibliotheek vond ik stukken uit het archief Brants terug, bijvoorbeeld onder de hoofden termijnhandel, cognossementen, handtekeningen van ontvangers, enz., enz. Speurtochten in de bibliotheek hebben een aantal van deze ondergedoken stukken weer teruggebracht. In gevallen echter, waar geen namen op de stukken voorkwamen, was niet uit te maken, of dergelijke stukken uit het archief Brants afkomstig waren. Het is dus mogelijk, dat in de bibliotheek nog het een of ander uit de papieren Brants berust.
Dit alles maakte een herordening van dit veel geraadpleegde archief uiterst wenselijk. Het archief Brants was het eerste bestanddeel van het Amsterdamse archief, dat ik - toen nog student en bezig met een scriptie - beter leerde kennen. De merkwaardige indeling maakte het niet gemakkelijk een weg erin te vinden en bij de herordening bleek mij dan ook, dat mij indertijd heel wat ontgaan was wat van nut had kunnen zijn.
De verschillende familie-archieven waren, waarschijnlijk door de ordening van 1919, vrij goed gescheiden; toch waren er nog vele afgedwaalde stukken, die op hun eigenlijke plaats moesten worden teruggebracht. Enkele stukken betreffende aangetrouwde families, welker aantal zo gering was, dat zij niet als een apart familie-archief konden worden beschouwd, zijn opgenomen bij de persoon, door welke zij in het familie-archief kwamen.
De genealogische aantekeningen en genealogieën, waarvan dikwijls niet bekend was door wie zij waren samengesteld, zijn ondergebracht in de afdeling 'Stukken van algemene aard'.
De afdeling 'Stukken betreffende afzonderlijke families en personen' spreekt voor zichzelf. Bij personen, wier inventaris door het grote aantal der stukken te onoverzichtelijk zou worden, is een onderverdeling in rubrieken gemaakt. Dezelfde volgorde, zonder vermelding echter van rubrieken, is ook bij de andere personen in acht genomen. Stukken betreffende de afwikkeling van de nalatenschap van een bepaald persoon zijn, hoewel uiteraard niet van deze persoon afkomstig, toch opgenomen onder de stukken, die op hem betrekking hebben, daar zoals duidelijk is een andere plaatsing bijna steeds moeilijkheden zou meebrengen. Alleen in het geval, dat bij een dergelijke afwikkeling uitdrukkelijk wordt vermeld ten behoeve van welke persoon deze stukken zijn opgesteld, is hiervan afgeweken.
Speciaal moeten wij er hier op wijzen, dat in deze afdeling werd afgeweken van de gebruikelijke methode om een verdeling in personalia en realia te maken. Het toepassen van deze indeling, die steeds moeilijkheden meebrengt, daar men onder het hoofd realia niet alles wat betrekking heeft op de vaste bezittingen kan brengen en daardoor bepaalde bestanddelen uit elkander haalt, had hier meer nadelen dan voordelen. Daarom zijn in deze inventaris dan ook de stukken, die betrekking hebben op de vaste goederen, in de afdeling 'Stukken betreffende afzonderlijke families en personen' ondergebracht.
Geheel hetzelfde geldt de verschillende handelsarchieven. Een scheiding van handelsarchief en persoonlijk archief is in de meeste gevallen namelijk niet scherp te trekken en heeft daar waarschijnlijk ook nooit bestaan. Door het handelsarchief te plaatsen bij de persoon, van wie het afkomstig is, ging naar mijn mening de zo belangrijke samenhang het minst verloren. Dit is o.a. ook gebeurd bij het handelsarchief van Isaak en Pieter de Neufville, dat geplaatst is bij de stukken van Pieter de Neufville, die zijn broer Isaak twee jaren overleefde.
Er waren echter enkele gevallen, waarin het niet mogelijk bleek een handelsarchief onder een bepaalde persoon te plaatsen, daar het verwarrend zou kunnen werken. Daar is in de allereerste plaats de bekende firma Quirijn Brants, sedert 1734 Quirijn Brants en Zoon, waarin eerst Quirijn Brants alleen, daarna tezamen met zijn zoon mr. Jan Brants en tenslotte deze laatste met zijn zoon Jan Jacob Brants en uiteindelijk Jan Jacob Brants alleen deelgenoten zijn geweest. Dan waren er de verschillende kleinere handelsondernemingen en assurantiecompagnieën, waarin Jan Jacob Brants met geld deelnam ten behoeve van zijn zonen, die daar een uitvoerende functie hadden. In deze ondernemingen waren verschillende zonen, hetzij gelijktijdig, tenzij achtereenvolgens deelgenoten. Hetzelfde geldt ook voor twee ondernemingen, waarin eerst mr. Jan Brants en naderhand zijn zoon Jan Jacob Brants waren geïnteresseerd, namelijk de rolrederij van zeildoek te Krommenie en de verveningen in Loosdrecht en Ankeveen, die daar trouwens vanzelfsprekend onder vallen, daar zij werden geadministreerd door Quirijn Brants en zoon.
Deze archieven zijn in een afdeling 'Zakenarchieven Brants' achter de archieven van bepaalde personen uit de familie Brants opgenomen. Men doet echter goed steeds rekening ermee te houden, dat een splitsing in handelsarchief en persoonlijk archief nooit op volkomen bevredigende wijze tot stand kon komen, zodat men daarom, wanneer men nadere opheldering over een of andere kwestie zoekt, ook respectievelijk het persoonlijk archief of het handelsarchief (al of niet opgenomen onder de stukken van de persoon zelf) daarbij moet raadplegen.
Voor de indeling van de handelsarchieven, die onder bepaalde personen zijn geplaatst, was niet voor alle gevallen één gelijksoortig schema op te stellen, daar deze verschillende gevallen sterk uiteenlopen. Zo had Jan Isaak de Neufville een groot gedeelte van zijn leven een compagnon en zijn zijn handelsarchieven daarom vrij streng gescheiden gehouden van zijn particuliere zaken, ook in de tijd dat hij geen compagnon had. Voor Simon Bevel is dat in veel minder sterke mate het geval, terwijl bij Dirk Leeuw geen sprake is van enige scheiding.
Daar het zonder een diepgaande bestudering niet mogelijk was de betekenis van alle handelsboeken precies vast te stellen, zal de indeling wat dat betreft zeker te wensen over laten. Waar de boekhouding van toen en nu dikwijls sterk afwijken, bracht de omschrijving van de boeken soms bijzondere moeilijkheden mee. Zoveel mogelijk trachtte ik de aard van de boeken duidelijk te maken.
Ten slotte nog enkele woorden over een van de belangrijkste bestanddelen van het familie-archief Brants, de grote brievencollecties. Behoudens een enkele uitzondering is geen splitsing gemaakt in familiebrieven en handelsbrieven. De zakelijke relaties van deze doopsgezinde kooplieden werden dikwijls gevormd door nabije of verre familieleden, zodat de brieven soms zeer gemengd van inhoud zijn. Waar mij uit de aanhef of ondertekening bleek, dat de briefschrijvers familie waren van de geadresseerden, heb ik dat door de toevoeging van (f) aangeduid. Dit wil uiteraard niet zeggen, dat bij het ontbreken van deze (f) in ieder geval geen familierelatie heeft bestaan.
Daar niet meer na te gaan was, hoe oorspronkelijk de indeling was, is die van de inventaris van 1919 in grote lijnen gehandhaafd. De brieven zijn daarom steeds opgenomen in een algemene afdeling, die vóór al het andere is geplaatst.
De collecties brieven zijn behoudens een enkele uitzondering (merendeels voor de latere tijd) gerangschikt naar landen en plaatsen. Dit moet blijkens enkele oude opschriften ook oudtijds het geval zijn geweest; toen echter bewaarde men de brieven waarschijnlijk per jaar, zodat bijvoorbeeld bij de brieven van Simon Bevel het jaar 1723 geheel verloren is gegaan. Landen als de Republiek, Engeland, Frankrijk, Spanje, Italië, Rusland en ook de combinatie Scandinavië leverden bij indeling geen moeilijkheden op. In Duits sprekende landen is, telkens waar dit nodig bleek, een onderverdeling gemaakt. De namen van de plaatsen zijn gerangschikt volgens de tegenwoordige spelling, ontleend aan het Internationaal Aardrijkskundig Woordenboek van A. Huizinga. Het leek mij overbodig, waar men hier in hoofdzaak te doen heeft met 18de eeuwse archieven, de nieuwe namen, die enkele van deze plaatsen thans hebben gekregen, te vermelden.
De collecties brieven uit één plaats zijn in principe alfabetisch op briefschrijvers onderverdeeld; een enkele maal is daarvan ter wille van het verband afgeweken. De namen van die briefschrijvers waren niet steeds gemakkelijk te ontcijferen. Alleen Jan Isaak de Neufville heeft die namen achterop aangetekend, wat de ontcijfering dikwijls zeer vergemakkelijkt. Het is dan ook wel zeker, dat enkele namen in deze inventaris in ietwat of zelfs sterk verbasterde vorm zijn opgenomen. Ook is het mogelijk, dat soms voornaam tot achternaam, of omgekeerd, is geworden. De brieven, gericht aan Isaak en Pieter de Neufville, die tussen de brieven van Jan Isaak de Neufville werden aangetroffen, zijn apart gehouden.
Uit de pakken met rekeningen en kwitanties is tenslotte nog een groot aantal brieven, waarin een rekening - hetzij in de brief zelf, hetzij los - was opgenomen, te voorschijn gebracht en bij de brieven gevoegd. Men doet echter goed in geval van ontbreken van brieven deze pakken ook te raadplegen, daar nog vele rekeningen in briefvorm daarin zijn achtergebleven. In die pakken zijn dikwijls ook nog andere niet onbelangrijke stukken bewaard, zoals afgelegde schuldbekentenissen, assurantiepolissen, etc. Geheel gelijksoortige stukken zijn dikwijls gedurende kortere of langere tijd apart bewaard. het leek niet wenselijk deze aparte stukken bij de vrij onhanteerbare van ouds bewaarde pakken rekeningen en kwitanties te voegen, of omgekeerd daar dit soort stukken uit te lichten en bij de apart bewaarde gelijksoortige stukken te voegen.
De afdeling 'Stukken, waarvan de samenhang met het archief niet is gebleken of niet is uit te maken bij welk archief ze hebben behoord' eist geen nadere toelichting.