237
1650 - 1943
In 1960 werd het Amsterdamse Gemeente-Archief verrijkt,met een legaat van de bekende historicus Dr. Johan E. Elias, die in 1959 was gestorven, namelijk met het archief van zijn tak, dat wil zeggen de oudste van de thans nog bestaande familie Elias. Het eigenlijke familie-archief beperkt zich voornamelijk tot stukken van zijn grootouders, overgrootouders en betovergrootouders. In een brief van 2e februari 1958 aan Dr. J. Belonje te Alkmaar geeft Johan E.Elias hiervoor een verklaring: "v "Immers heeft een oudtante van mijn vader bij codicil bepaaldt dat alle geschreven papier in haar nalatenschap (en zij bezat het familiearchief!) na haar dood moest verbrand worden. Zodat er maar een kleine pakketje bewaard is gebleven, dat ik, met mijn paperassen aan het Gemeente-Archief van Amsterdam heb gelegateerd."
Als belangstellend historicus en genealoog, aan wie ieder in de eerste plaats dacht, wanneer er iets te voorschijn kwam, heeft Johan E.Elias nog heel wat weten te verzamelen, en betreffende zijn eigen voorouders, en betreffende andere takken.
Een belangrijke afdeling bestaat in de nagelaten papieren van Johan E.Elias zelf, waaronder ik de documentatie voor zijn werken, de bijgewerkte boeken en studies zelf en ook nog ongepubliceerde manuscripten aantrof.
Andere grotere archieven van de familie Elias ken ik niet. Het familie-archief Backer op het Gemeente-Archief te Amsterdam bevat het een en ander van een gestorven tak. Bij Jhr. Mr.N.Witsen Elias te Leeuwarden is een familie- archief bewaard, dat echter voornamelijk stukken betreffende de familie Witsen bevat.
Bij mevrouw M.M. Visser-Elias te ' s-Gravenhage berusten behalve de meeste portretten van haar tak van de familie ook nog enkele stukken, zoals het poësiealbum van Jeannette d'Amblé en het oorlogsdagboekje, dat Johan E. Elias in 1944-1945 bijhield.
Vroegere en tegenwoordige ordening.
Johan E.Elias heeft het familie-archief en de verzamelde stukken speciaal geordend met het oog op het gebruikt dat hij ervan wilde maken, en vele stukken van aantekeningen voorzien.
Daar dit archief, van ± 2 meter, zijn betekenis vooral aan hem ontleent, heb ik gemeend zoveel mogelijk mijn ordening in takt te moeten laten. Slechts een uitzondering maakte ik voor aantekeningen en stukken en studies van Elias zelf, die hij dikwijls onder personen, waarop zij betrekking hadden, plaatste. Zoveel mogelijk heb ik die echter opgenomen bij de afdeling "Geschiedkundige en genealogische werkzaamheden, van hemzelf.
De brieven van zijn moeders familie ter Meulen, die hij na de dood van zijn tante Agnes verwierf, zou ik in een andere inventaris in een aparte afdeling hebben geplaatst. Hier heb ik deze achter de bovengenoemde afdeling opgenomen, daar hij zelf, mede blijkens zijn aantekeningen, als een geheel met de daaraan voorafgaande nummers zag en bewaarde.
Bij deze afdeling van werkzaamheden heb ik ook alles gevoegd, wat reeds eerder op het Gemeente-Archief was gekomen, namelijk het materiaal, waaruit zijn Vroedschap
werd opgebouwd. Zijn eigen bijgewerkte exemplaar van de Vroedschap legateerde hij aan de Koninklijke Akademie.
Een afdeling Diversen en een afdeling over een familiefonds besluiten de inventaris. Het beheer van dit fonds is uiteraard nog niet beëindigd en wordt thans door een van de neven van de overledene gevoerd.
Tenslotte kan ik hier nog een verheugende mededeling doen. Dr. J. Belonje te Almmaar gaf de brieven, die Johan E.Elias hem schreef in de jaren 1920-l959, enige honderden in totaal, in bruikleen aan het Gemeente-Archief te Amsterdam. Voor de kennis van persoon en werken van de historicus zijn zij van grote betekenis.
Bij de personen, van wie stukken zijn bewaard, heb ik steeds verwezen naar de pagina, waarop zij voorkomen in de genealogie van het geslacht Elias, van de hand van Johan E.Elias.