1248
1892 - 2009
De Ancient Royal Order of Foresters (AOF) werd in de 18de eeuw opgericht in Engeland. Hun gedachtegoed zou teruggaan tot de middeleeuwen, toen Robin Hood en geestverwanten in het geheim, vermomd als houtvesters (foresters), in bossen bijeenkwamen. Deze 'rebellen' verzetten zich tegen de standenmaatschappij en de vervolging van andersdenkenden en -doenden. Volgens de filosofie van de AOF was het bos een evenwichtig geheel van bomen en planten, met een grote variatie aan soorten, afmetingen, leeftijden en bloeiwijzen, dat essentieel is voor het voortbestaan van de mens. De Foresters zagen pluriformiteit als een maatschappelijk gegeven, waarbij religie, afkomst, politiek of status geen criterium moesten zijn tot het maken van onderscheid. Solidariteit en begrip stonden centraal. Dit gedachtegoed was ingegeven vanuit het besef dat voorspoed en tegenspoed elkaar regelmatig afwisselen. Wie zijn geluk met anderen kan delen was in de ogen van de Foresters bevoorrecht.
De Nederlandse tak van de Order ontstond op 29 november 1880 met de oprichting van de Court City of Amsterdam in café Panorama aan de Plantage Middenlaan te Amsterdam (latere vergaderingen vonden plaats in het gebouw Eensgezindheid op het Spui 12). Onder de oprichters waren enkele Amsterdamse diamantbewerkers, die in 1873 naar Engeland waren gegaan in verband met de toenmalige malaise in de diamantindustrie. Daar waren zij in contact gekomen met de denkbeelden van de Foresters, en dan met name met de formule van onderlinge hulp welke niet berustte op kerkelijke liefdadigheid en aalmoezen, maar op menswaardige opvangvoorzieningen. De Nederlandse Foresters richtten zich in de beginperiode dan ook met name op het verlenen van wederkerige financiële bijstand aan de leden door het inrichten van onderlinge verzekeringsfondsen. Een van deze fondsen was bijvoorbeeld het Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Uitkeringsfonds bij Overlijden. Vanaf ongeveer 1920 kwam het accent meer te liggen op morele en humanitaire principes, en werden in de hulp ook niet-leden betrokken. Mede door de voltooiing van de verzorgingsstaat kwam na de Tweede Wereldoorlog de nadruk nog meer te liggen op ethiek, gezelligheid, vriendschap en morele steun. Volgens haar statuten en reglementen van 1991 stelde de AOF zich tot doel "onder de mensheid in het algemeen de eerbiediging der menselijke persoonlijkheid, haar rechten en vrijheden en goed broederschap te bevorderen, naastenliefde te kweken en ethiek toe te passen. Verder "de zedelijke, geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling als ook de welvaart van haar leden te bevorderen"en "neutraliteit na te streven ten aanzien van politieke gerichtheid, religieuze overtuiging en maatschappelijke status". De Nederlandse Foresters gaven aan hun solidariteitsgevoel vooral een praktische invulling. Ze bekommerden zich om de minder gefortuneerde medemens. Het ging daarbij niet zozeer om financiële steun, alswel om aandacht en medeleven. Activiteiten waren bijvoorbeeld: een vakantieweek voor minima, operette- en bingoavonden voor blinden en mindervalide bejaarden, fietsjes voor opvanghuizen voor kinderen, kerstpakketten voor vereenzaamden, het inrichten van een kantine van een manege voor gehandicapte kinderen, inrichten van familieverblijven bij ziekenhuizen, aanbieden van een begeleidingshond voor gehandicapten etc.
Bij de oprichting telde Court City of Amsterdam 34 leden. Het ledenaantal groeide in de eerste helft van de twintigste eeuw aanzienlijk. Er werden verschillende nieuwe Courts (afdelingen) opgericht, waaronder in 1905 een in Antwerpen. In 1926 werd het Foresterhuis aan de Sarphatistraat 8-10 betrokken. In 1930 kreeg de Nederlandse tak van de orde toestemming van de moederorganisatie in Engeland om een eigen Subsidiary High Court (SHC) te stichten. De SHC of Sub Hoge Raad was formeel een onderdeel van de Engelse High Court, maar functioneerde min of meer autonoom. De Sub Hoge Raad omvatte alle Courts in Nederland en België en werd bestuurd door een hoofdbestuur. De Courts werden bestuurd door een eigen bestuur dat werd gekozen uit de leden van de betreffende Court. Een Court had zijn eigen reglementen, die evenwel niet in strijd mochten zijn met het reglement van de Orde en moesten worden goedgekeurd door het hoofdbestuur. Een Court bestond uit ten minste 15 leden. De meeste sociale activiteiten werden vanuit de Courts georganiseerd. Een maal per jaar werd een SHC-vergadering gehouden, bestaande uit afgevaardigden van de Courts. De SHC koos het hoofdbestuur en benoemde tevens een aantal commissies, waaronder de commissie voor sociale arbeid en de arbitragecommissie. In 1930 werd nog een tussenlaag tussen Courts en SHC ingericht: de districten. De meeste Courts ressorteerden onder ofwel het Noord-Hollands of wel het Zuid-Hollands district. Doel was de specifieke behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de aangesloten Courts, zowel binnen als buiten de orde. Na WOII zijn de districten niet opnieuw ingericht.
In 1940 werd de AOF door de Duitse bezetter ontbonden en werden haar vermogens verbeurd verklaard. Het Foresterhuis aan de Sarphatistraat werd gesloten. Ook de fondsen werden opgeheven. De polissen van de Onderlinge Verzekeringsmaatschappij Uitkeringsfonds bij Overlijden werden - in het geval van niet-joodse houders - per 1 april 1941 overgenomen door de NV de Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank. De polissen van joodse houders werden vervallen verklaard. In totaal werden 2329 verzekeringen op deze wijze geliquideerd. Op 16 januari 1946 werd de liquidatie ongedaan gemaakt en werden twee leden van de AOF tot bewindvoerder van het fonds benoemd. Van de oorspronkelijke 2651 leden van het fonds waren er ongeveer 1900 gedeporteerd en omgebracht. Er was geen administratie meer aanwezig en er waren vrijwel geen financiële middelen. Aangezien de niet-joodse leden bij de Centrale waren ondergebracht, was er ook geen risicospreiding geweest. Het fonds werd daarom door zowel de Orde als door de Verzekeringskamer als niet levensvatbaar beschouwd, en besloten werd het Uitkeringsfonds op te heffen. In 1949 werd een voorlopige uitkering aan de voormalige leden van het fonds gedaan van 25%. Pas in 1957 was er voldoende duidelijkheid over het herstelde vermogen van het fonds en werd het uitkeringspercentage vastgesteld op 52,4%. Van een groep van 806 joodse overledenen was inmiddels vastgesteld dat zij lid waren geweest van het Uitkeringsfonds van de Foresters. Aan nog eens 346 overlevenden werden uitkeringen gedaan. Van 216 gevallen was onvoldoende bewijs van lidmaatschap aanwezig en van 885 gevallen waren helemaal geen gegevens aanwezig. Het is onduidelijk in hoeveel gevallen rechthebbenden uit deze twee laatste groepen alsnog hun uitkering hebben kunnen incasseren. Het fonds is opgeheven op 3 oktober 1957. Na die datum zijn de rechten en verplichtingen overgenomen door het Hulp- en Ondersteuningsfonds van de Orde der Foresters. Dit fonds behandelde na 1957 de claims en deed eventuele uitkeringen. Daarbij hield men, als voorheen, vast aan de eis dat twee nog levende AOF-leden het lidmaatschap van een oud-lid, daterend van voor 1940, moesten bevestigen. Gezien de hoge sterfte van AOF-leden tijdens de oorlog en het tijdsverloop, werd het steeds moeilijker het lidmaatschap op deze manier te bewijzen.
In de jaren tot 1976 zijn in ieder geval zes claims afgewezen en is een claim toegewezen. Van twee is de uitkomst onbekend. Het is onbekend hoeveel claims er in het geheel nog zijn ingediend.
De AOF telde voor de oorlog een groot aantal joodse leden; het merendeel van deze leden is tijdens de oorlog gedeporteerd en omgekomen. Na de heroprichting van de AOF in 1945 nam het ledental steeds verder af. Verschillende Courts werden wegens een te klein aantal leden samengevoegd. Het hoofdkantoor in de Sarphatistraat werd in 1979 wegens het teruglopende ledenaantal verkocht. De Orde verhuisde naar een huurpand aan de Oranje-Nassaulaan 25. In 1992 werd als mogelijke oorzaak van de daling aangegeven dat de vereniging zich niet profileerde als een club die opkomt, zowel sociaal als materieel, voor de zwakkeren in de samenleving. In plaats van naar buiten te treden was het eerder een vereniging die door tradities (bijvoorbeeld de functies en titels) en enigszins geheimzinnig aandoende rituelen zich afsloot van de buitenwereld. De AOF is inmiddels niet meer actief.
Het archief van de Ancient Order of Foresters is in 2010 aangevuld met materiaal over de periode ca. 1965-2009. Deze aanvulling is in een aparte rubriek (rubriek 24) opgenomen waarbinnen dezelfde structuur is gehandhaafd als het oudere archiefdeel. Dit betekent dat de Courts en de verschillende stichtingen als aparte archiefvormers na de Subsidiary High Court zijn opgenomen. De meeste acties gingen uit van de Courts: het overgebrachte archiefmateriaal van de SHC en de verschillende Courts was echter moeilijk op Court te scheiden. Vandaar dat ervoor is gekozen de acties onder de SHC te plaatsen, tenzij ze heel duidelijk aan een bepaalde Court konden worden toegewezen.
Eventuele oudere archiefbescheiden (van voor ca. 1960) zijn onder een a-nummer in het oudere archiefdeel opgenomen.