Uit het stuk kun je ook afleiden dat Aaltje het pakhuis heeft geërfd van haar moeder die het op haar beurt weer van haar zuster had geërfd. U kunt zoeken op de naam van de koper: Jan Thomasz, op de straatnaam: Lauriergracht, en op de huisnaam: de worstelinge Jacobs.
Wy utsupra.-
Schepenen in Amsterdam, oirconden en kennen, dat voor ons
gecompareert zijn Gerrit Scholten, als in huwelijk hebbende
Aaltje van der Wal, en dezelve Aaltje van der Wal, door haar
genoemden man geadsisteerd, en hiertoe geauthoriseert
Hebbende zij Aaltje van der Wal by praelegaat, begrepen
in den Testamente, door haare moeder, wylen Cornelia
Martens, in der tydt weduwe van Baltus van der Wal, op den
22. November 1737. voor Jan Ardinois, Notaris en zeeckere
getuigen alhier verleden, het regt verkregen tot het na
te melden pakhuys, welck pakhuys bevorens aan de
gezyde Cornelia Martens was geprealegateerdt en voor uit
besproken door haare zuster Elizabeth Martens, bij haare
Testamentaire dispositie, in dato 5. October 1736, ten
overstaan van den Notaris Mr. Jan de Vicq Junior, en
getuigen binnen deze stadt gepasseert sijnde de gedagte
Elizabeth Martens geweest weduwe, en vermogens de
mutuele uiterste wille, den 16. July 1699. voor Joannes
van Geuns, Notaris en zeeckere getuigen hier ter stede
gemaakt, Erffgename van Abraham van den Bergh,
die bij ordinaris quytscheldinge, sub dato 9. Mey 1708
den eigendom bekomen heeft tot het erff, waar op nader
: hand door hem Abraham van den Bergh het zelve
onder te noemen pakhuys is doen maken. En de zy
comparanten gelieden indiervoegen verkogt, opgedragen
en quytgeschonden te hebben aan Jan Thomasz, Een
pakhuis en Erve, staande ende gelegen op de Laurier
gragt aan de noordzijde, by het Luthersche Weeshuys,
daar de worstelinge Jacobs in den gevel staat en dat
met alzulke belendingen, streckingen vry- en onvryheden
servituten krimpen, en ligten, als het zelve van oudts ge
: had heeft, ofte nog zoude mogen hebben, niets uytgezondert,
en zo als het zelve voor het tegenwoordige geconstitueerd,
is, en in allen schyne aldaar gelegen is, behynt en betim
: mert staat, en de oude brieven van opdragt daarvan
zijnde komen mede te brengen, waar aan ten dezen
werd gerefereerd. Zullende de coper zijn water moeten
vangen en lyden op en over zijn eigen grond, en zig in
allen gevallen moeten reguleren naar de keuren dezer
stede, en naar die Conditien, waar op de erven aldaar
gelegen, van Stadtswegen uytgegeven en verkogt zijn.
Ende zy Comparanten bekenden daar van al voldaan
en wel betaalt te wezen, den laatsten penning, met
den eersten, zo dat zy daaromme beloofden (onder Ver
: band van alle hunne goederen, roerende, onroerende,
praesente, en toekomende) het voorsz: pakhuis en erve
te vryen en vry te waren, jaar en dag, als men ingelyken
schuldig is te doen, en alle oude brieven affte nemen
sonder arg, offlist in Oirconde ect. den 19. September 1749
In de marge:
F(oli)o 85,-
Solvit den 80en Penning
en 1/10 verhoging.