Laatste Nieuws

Voor tentoonstellingen en evenementen zie ons Programma

Ton van Rijn en de man met de kattenogen

Afgelopen maand is een van onze fotografen, Ton van Rijn, met pensioen gegaan. Ton werkte sinds 1991 bij het Stadsarchief. Op de Beeldbank van het Stadsarchief zijn bijna 4000 foto’s van Ton te vinden.

Ton van Rijn, Europarking Marnixstraat, 2005. Foto uit de serie 'Amsterdam bij Nacht/Amsterdam by Night'

Sinds het begin van de vorige eeuw laat het Stadsarchief de stad en de veranderingen die daarin plaatsvinden, fotograferen. Eerst alleen door opdrachten te verstrekken aan zelfstandig werkende fotografen, vanaf 1946 door fotografen in eigen dienst. Gebouwen die op de nominatie staan voor sloop worden gefotografeerd, maar ook de sloop- en bouwwerkzaamheden zelf worden vastgelegd door de fotografen van het Stadsarchief. Later worden ook evenementen gefotografeerd en verschijnen er meer mensen in beeld.

Rond 2006 stapten de fotografen over op digitale fotografie en vanaf dat moment maakt het zwart wit plaats voor kleur. Rond diezelfde tijd gingen de fotografen steeds meer werken in opdracht van andere gemeentelijke diensten, stadsdelen en projectbureaus. Projecten zoals de Zuidas, het Polderweggebied, de IJ-oevers en de bouw van de terminal achter het CS worden vanaf dat moment structureel gevolgd.
Deze ontwikkelingen zijn in de foto’s van Ton die op de Beeldbank staan goed te volgen. Hij heeft prachtige foto’s gemaakt in alle delen van Amsterdam, van gebouwen, straten, zwembaden, theaters en kerken, van bouw- en sloopwerkzaamheden en van mensen die op straat lopen, feest vieren of poseren voor een portret.

Ton heeft zelf nog een bijzondere herinnering aan één van die mensen van wie hij een portret heeft gemaakt:

In juni 2008 was ik in het Polderweggebied om daar de werkzaamheden en de voortgang van de bouw te fotograferen. Op een gegeven moment kwam ik bij het schaftlokaal van de bouwvakkers. Toen zag ik in het schaftlokaal achterin in het donker een man zitten met een zonnebril op en een haarband om, het type van een Indiaan, een mooie kop om te zien. Ik liep naar hem toe en vroeg of ik een foto van hem mocht maken, dus of hij even mee naar buiten wilde komen om hem in de schaduw te portretteren. Nee, zei hij, liever in het donker, dan kan ik beter zien. Vreemd, zei ik, want je hebt ook nog eens een zonnebril op in het donker. Ja, zei hij, maar ik kan moeilijk zien in het zonlicht, want ik heb kattenogen. Ik kreeg hem zover dat hij toch mee naar buiten ging en zijn zonnebril af deed. En toen ik hem in de ogen keek zag ik tot mijn schrik dat hij inderdaad kattenogen had.

Ton van Rijn, Polderweg 300. Portret van een bouwvakker bij de nieuwe Wethouder Verheij sporthal, februari 2008

Ik maakte een paar foto’s en hij vertelde me dat zijn voorouders indianen waren uit Noord-Amerika en dat er maar een paar mensen op de wereld zijn met ogen zoals hij. Hij vertelde me dat hij eigenlijk artiest was en regelmatig optrad en door heel Europa trok. Hij deed aan degenslikken, glaskauwen, liet zich in brand steken en speelde in een band. Daarnaast had hij een timmerbedrijfje en leende zich soms uit voor bouwprojecten. Later ben ik nog regelmatig op de Polderweg geweest, maar heb hem nooit meer ontmoet, zijn collega’s vertelden dat hij weer met zijn show door Europa toerde.

Het werk van Ton van Rijn wordt voortgezet door zijn collega Eric Dix. Naast de eigen opdrachten van het Stadsarchief fotografeert hij in opdracht de ontwikkelingen aan de Zuidas, het IJ en de Houthavens.

The Magic Eye — Cor Jaring

Het hap-hap-happende in Amsterdam in de jaren zestig en Cor Jaring (1936-2013) was erbij. Deze selfmade fotograaf, Amsterdammer in hart en nieren, voelde zich thuis bij het bonte gezelschap dat oproer kraaide en voor vrolijke verwarring zorgde in het nog gezapige Nederland. Dankzij het Magische Registreeroog van Cor Jaring, zijn Magic Eye, gingen beelden van happenings en andere rebelse acties de hele wereld over.

Cor Jaring, Leo van der Zalm en Max Reneman bij pakhuizen, circa 1970

Vanaf 13 maart is in het Stadsarchief de tentoonstelling The Magic Eye — Cor Jaring, Foto’s van Magisch Centrum Amsterdam 1965-1975 te zien.

Een deel van zijn foto's, waaronder unieke kleurenbeelden, kunt u alvast bekijken op de Beeldbank.

Breitner en het briefje van Erens

George Hendrik Breitner betrok in 1887 een atelier op de Eerste Parkstraat 438 (tegenwoordig Oosterpark 82). Het huis, nu bekend als het Witsenhuis, fungeerde als ontmoetingsplek van de jonge literatoren en beeldend kunstenaars rond het tijdschrift De Nieuwe Gids, de zogeheten Tachtigersbeweging. In de zomer van 1888 verbleef de schrijver Frans Erens er enige tijd. Hij was zojuist gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam en zat tijdelijk zonder woonruimte. Breitner bood hem onderdak in zijn atelier aan, omdat hij er toch alleen overdag werkte. De schilder woonde in die tijd in de Jacob van Campenstraat, in de Pijp.

Frans Erens vertelt over zijn verblijf in Breitners atelier in zijn memoires Vervlogen jaren (1938). Op een nacht werd er rond drie uur aangebeld. Het was Marie Jordan, model en vriendin van Breitner, in ‘genegligeerd toilet’. Ze legde uit dat ze ruzie had met Breitner en stortte zich huilend in de armen van Erens. Hij bood Marie aan om de nacht door te brengen op de sofa, maar zij wilde niets daarvan weten en vertrok naar haar eigen huis. De volgende ochtend vond Erens een briefje dat Breitner daar blijkbaar al eerder onder de deur had geschoven:

François
doe me een genoegen
en laat onder geen
pretext Juffr. Marie
binnen vannacht.
Ik ben op de vlucht

Het was ondertekend door ‘George’. Dit briefje is in origineel bewaard gebleven. Speciaal voor de tentoonstelling Breitner in Amsterdam is het vanuit het Frans Erensarchief in Nijmegen overgekomen naar het Stadsarchief. Het is te zien in de vitrine over het Oosterpark.

Tussen Breitner en zijn vriendin kwam het trouwens enkele dagen later weer goed. In 1891 verloofde hij zich met de negen jaar jongere Marie. Nog tien jaar woonde het stel ongehuwd samen en Marie zou in die tijd nog vaak model staan voor Breitner, al dan niet naakt. Zij trouwden pas in 1901. Wellicht heeft dat ermee te maken dat op de grote solotentoonstelling van Breitner in Arti et Amicitiae geen schilderijen van het vrouwelijk naakt te zien waren. Die tentoonstelling werd twee maanden na de huwelijksvoltrekking geopend en waarschijnlijk vond Marie het ongepast daar op zo’n manier getoond te worden. Erg gelukkig waren Breitner en Marie niet met elkaar, maar zonder elkaar konden ze al helemaal niet. En het is mede aan Marie Breitner-Jordan te danken dat een groot deel van de nalatenschap van haar man uiteindelijk in het Rijksmuseum terecht kwam.

Breitner in Amsterdam tentoonstelling tot en met 1 februari 2015

Recente archieven Stadsdeel Oost nu al toegankelijk

De archieven van de rechtsvoorgangers van het huidig Stadsdeel Oost zijn middels de Archiefbank ter beschikking gekomen. Het gaat om de archieven van de oude stadsdelen Oost (1990-1998) en Watergraafsmeer (1987-1998), hun rechtsopvolger Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer (1998-2010) en het archief van Stadsdeel Zeeburg (1990-2010). Die laatste twee archieven lopen tot de opheffing van die stadsdelen in 2010 en bevatten dus heel recente informatie, die met deze beschikbaarstelling openbaar is geworden. Doordat het recente archieven betreft, bevatten ze naast papieren ook relatief veel digitale archiefbescheiden (in totaal ca. 68,3 gigabyte).

De archieven bevatten uiteraard de beleidsdocumenten van de stadsdelen (stadsdeelraad, raadscommissies en dagelijks bestuur). Zo zijn er dossiers over de oprichting van een wekelijkse biologische markt, de instelling van Islamitisch begraven op De Nieuwe Ooster en zelfs de toekenning van een evenementenvergunning en ontheffing voor het organiseren van een sponseringsfeest aan de Hell's Angels.

Daarnaast bevatten de archieven veel informatie over de verbeteringen en herinrichtingen van gebiedsdelen, zoals van de Weesperzijde en Park De Meer (terrein voormalig Ajax-stadion De Meer) in het archief van Stadsdeel Oost-Watergraafsmeer. In het archief van Stadsdeel Zeeburg betreft dat vooral de Indische Buurt, het Oostelijke Havengebied en IJburg.
Maar uiteraard is er nog veel meer te ontdekken en te onderzoeken in deze archieven.

Het betreft de volgende archieven:

Aanvulling op de index Bevolkingsregisters van tijdelijk verblijf

De namen uit de Verblijfregisters 1854-1934 zijn toegevoegd aan de index op de Bevolkingsregisters van tijdelijk verblijf. De complete rubriek 4.1 uit het Archief van het Bevolkingsregister: registers van vertrek, vestiging, verblijf en huisnummering is hiermee geindexeerd.

De index bevat niet alleen passanten die vanwege werk de stad aandeden, maar ook Belgische vluchtelingen uit de periode 1914-1918 en mensen die werden opgevangen na de watersnoodramp in de Zaanstreek in 1916.

Let op: de grens tussen tijdelijk verblijf en vreemdeling was destijds ook niet scherp. Kunt u iemand niet vinden, zoek dan ook in de Vreemdelingenregisters uit het Bevolkingsregister of in de index op de Vreemdelingenregisters uit het Politiearchief.

De roots van CNN-presentator John Spinoza Berman

Familiegeschiedenis op televisie, dat kennen we van Verborgen verleden en Who Do You Think You Are? in Groot-Brittannië. Ook in de Verenigde Staten is familiegeschiedenis ‘hot’, CNN laat in het programma Roots de familiegeschiedenis van dertien presentatoren onderzoeken. Presentator John Spinoza Berman komt in één van deze afleveringen naar Amsterdam en spreekt in het Stadsarchief Eric Heijselaar over zijn voorouders. Is hij familie van de Amsterdamse filosoof Spinoza?

De familie Espinoza komt aan het begin van de 18e eeuw uit Barbarije in Noord-Afrika naar Amsterdam. 150 jaar later vertrekt de overgrootvader van John naar Boston. In de tussenliggende jaren kent de familie een aantal hoogte- en dieptepunten, de aanvankelijke rijkdom verdwijnt na een faillissement en ook komt John er achter dat er in de familie nogal eens sprake is van bastaardkinderen. Of de presentator inderdaad afstamt van ‘onze Spinoza’ zie je in deze aflevering:

Archief K.N.S.M. ontsloten

In 1856 werd de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot Maatschappij (K.N.S.M.) opgericht, een rederij die zou uitgroeien tot de grootste van Amsterdam. Onlangs is de inventaris van de K.N.S.M. gepubliceerd. Het archief geeft een beeld van de ontwikkeling en de betekenis van enkele van de bekendste lijnvaartrederijen van Nederland en van het personeel dat bij deze rederijen in dienst was.

Scheepvaarthuis, rond 1930.

De K.N.S.M. heeft bestaan tussen 1856 en 1980 en is in die periode van grote betekenis geweest voor de Amsterdamse haven. Het is dan ook niet zo gek dat we nog altijd sporen van de rederij tegenkomen in de openbare ruimte van de stad: Loods 6 met de Kompaszaal (KNSM-laan) en het Scheepvaarthuis (Prins Hendrikkade, nu bekend als het Amrath Hotel), het zijn beeldbepalende gebouwen die hun stempel op de omgeving drukken. Ook de Koninklijke Hollandsche Lloyd (K.H.L.), in 1936 door de K.N.S.M. en de Rotterdamse rederij Müller gered, heeft zichtbare herkenningspunten aan de stad geschonken. Het monumentale pand waar nu het Art’otel is gevestigd, (Prins Hendrikkade) is in 1921 gebouwd als hoofdkantoor voor de ‘Lloyd’. De schepen van de Lloyd meerden af op de Oostelijke Handelskade en landverhuizers uit Midden- en Noord-Europa, die moesten wachten op het vertrek van hun schip, konden overnachten in het Lloyd Hotel of, als ze ziek waren, worden ondergebracht in het naastgelegen quarantainegebouw.

Nieuwevaart, met KNSM-schip 'Etna', Jaco Olie 1895

De K.N.S.M. is in 1856 opgericht en hield zich pas vanaf het begin van de twintigste eeuw bezig met de lijnvaart. De opening van het Noordzeekanaal in 1876 is van grote betekenis geweest voor de rederij. Overigens speelde de rederij ook een doorslaggevende rol in de oprichting van andere stoomvaartrederijen die zich wel op de lijnvaart toelegden, zoals de Stoomvaart Maatschappij Nederland (1870) en de Zuid-Amerika-Lijn (1899), vanaf 1908 voortgezet als Koninklijke Hollandsche Lloyd. In 1912 nam de K.N.S.M. de noodlijdende rederij Koninklijke West-Indische Mail over en verwierf daarmee een belangrijk aandeel van de lijnvaart op ‘de West’ (Suriname). Vanaf 1925 werd het K.W.I.M.-bedrijf volledig geïntegreerd in de K.N.S.M.

Interieur loodsen KNSM, Surinamekade

Aan het begin van de twintigste eeuw werden de etablissementen van de rederij gevestigd op de golfbreker tegenover de Oostelijke Handelskade, die nu bekendstaat als het KNSM-eiland. De K.H.L had zijn loodsen en kades aan de Oostelijke Handelskade. Het huidige winkelcentrum Brazilië is gevestigd in de voormalige cacaoloods van deze rederij.

De beide wereldoorlogen zijn niet onopgemerkt aan de rederijen voorbijgetrokken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verbleven veel Belgische vluchtelingen in de loodsen van de K.N.S.M. In de Tweede Wereldoorlog werd het grootste gedeelte van de schepen gevorderd voor het transport ten behoeve van de geallieerden. Een klein aantal schepen werd door de Duitsers gevorderd. Pas in 1956 waren alle losse eindjes rond deze vorderingen opgelost.

Scheepsbouwers van de KNSM aan de Levantkade tijdens de schaft, jaren '50, Chris de Ruig.

In de jaren zestig van de twintigste eeuw waren er twee belangrijke ontwikkelingen die het traditionele rederijbedrijf onder grote druk zetten. De opkomst van de luchtvaart zorgde voor een forse afname van het passagiersbedrijf en de opkomst van de zeecontainer maakte grote investeringen in moderne schepen noodzakelijk. Vanaf 1970 werd gesproken over een fusie waarin alle grote Nederlandse rederijen zouden opgaan, maar de K.N.S.M. hield bij deze fusiebesprekingen de boot af. Rond 1977 waren de economische vooruitzichten zo slecht dat de rederij er niet meer aan ontkwam om zich bij een grotere partij aan te sluiten. In 1980 verdween de naam K.N.S.M. en vonden de schepen een nieuwe thuisbasis in Rotterdam onder de paraplu van rederij Nedlloyd, die inmiddels is opgegaan in rederij Maersk.

Het geborgen wrak van het schip M.S. Midas, een door de Duitsers gevorderd schip dat in 1944 nabij Brest is gezonken, 1947.

Archief van de familie Tosch

Onlangs is het archief van Amsterdams-Surinaamse familie Tosch gedigitaliseerd. Het archief bevat informatie over de plantage l'Aventure in Suriname en over het nageslacht van Petrus Tosch.

Petrus Tosch werd in 1825 als slaaf geboren op plantage Leliëndaal. Toen in 1863 de slavernij in Suriname werd afgeschaft, waren de voormalige slaven verplicht om nog tien jaar op de plantages te blijven werken, zo ook Petrus Tosch. In 1874 kocht hij samen met Thomas Oosthuyzen de plantage l'Aventure aan de rivier de Cottica. In 1877 verkocht Oosthuyzen zijn helft van de plantage aan Tosch.

Kaart van de plantage l'Aventure vervaardigd door de landmeter in Suriname

Naast de stukken over plantage l'Aventure bevat het archief ook informatie over kinderen en kleinkinderen van Petrus Tosch. In 1891 trouwde Tosch met Geertruida van der Lijde (ca. 1847-1920), bij wie hij in ieder geval al twee kinderen had: Rudolf George (geboren op 29 september 1872 op Leliëndaal) en Alexander Marius (geboren 1886 te Paramaribo). Van drie andere kinderen is geen geboortedatum bekend: Julius Constantijn, Henriette Christina en Christiana Magdalena.

Monsterboekje van Eugène Humphrey Tosch, afgegeven 1946 en gebruikt tot 1955.

Het archief bevat diverse stukken over zeeman Eugène Humphrey Tosch (Paramaribo, 22 oktober 1924), zoon van Alexander Marius Tosch en Christina Elizabeth Olymph. In 1944 voer hij op het schip Tarakan en monsterde aan in Australië. In 1946 kwam hij als olieman onder contract van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij (zie boven), waarvoor hij tot en met 1958 bleef varen. Hij was vanaf 1946 woonachtig te Amsterdam en trouwde in 1951 met Susanna Krabshuis.

Erfgoed nieuwe Amsterdammers

Marokkaanse arbeiders bij de Nederlandse Dok en Scheepsbouw Maatschappij, foto: Cor Jaring.

Het Stadsarchief speelt een belangrijke rol in het verzamelen en documenteren van het verhaal van alle Amsterdammers. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen van alle Amsterdamse bevolkingsgroepen en hun verhalen is het van belang dat de relatie tussen Amsterdammers van niet-Nederlandse afkomst en het Stadsarchief wordt versterkt. De urgentie hiervoor is toegenomen, omdat de eerste generatie gastarbeiders langzaamaan van het toneel verdwijnt. Hun kinderen en kleinkinderen gaan meer op zoek naar de unieke ervaringen en verhalen van deze pioniers die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland overkwamen. Kijk naar bijvoorbeeld de enthousiaste respons van de jongere generatie op de gecombineerde theater- en documentaire voorstelling Mijn vader de expat van regisseur Abdel Karim El Fassi. Hoe kwamen de gastarbeiders en hun gezinnen naar Nederland, wat troffen zij aan, hoe verliep de opvoeding van de kinderen in een nieuw land en hoe behielden zij de link met land van herkomst vanuit Nederland? Wie deze vragen beantwoordt komt terug naar de plaatsen waar het Amsterdamse straatbeeld veranderde qua winkelaanbod, eetcafé, sportverenigingen, specifiek woonaanbod en scholen. Deze verandering is bepalend voor onze gezamenlijke toekomst in Amsterdam.

Op 25 september 2014 vond hierover op initiatief van het Stadsarchief, Stadsdeel Nieuw-West en Imagine IC een inspirerende bijeenkomst plaats in het gastvrije Van Eesterenmuseum in Nieuw-West. Dit relatief jonge stadsdeel kent veel mensen met migrantenachtergrond. Zij dragen een verleden verteld door oma, vader of door hen zelf. Het verleden ligt vast op film, foto, cassettebandjes, documenten en speelt een rol in verhalen.

Download een verslag van de bijeenkomst. PDF (124,03 Kb)

Stadsarchief in het Nieuws

Stadsarchief Amsterdam is afgelopen weekend in het nieuws geweest met de tentoonstelling Breitner in Amsterdam en de verkiezing van het Stuk van het Jaar.

Televisie:
Nieuwsuur over Breitner in Amsterdam:

De Straten van Amsterdam (AT5):

Radio:

Index op Patiëntenregisters online

Welke ongelukkigen belandden in de ziekenboeg van het Binnen- of Buitengasthuis en hoe lang werden ze daar verpleegd? Na het succes van de Overgenomen Delen is op VeleHanden een nieuw project van start gegaan. Dit keer indexeren we patiëntenregisters van de negentiende-eeuwse ziekenhuizen. De verwachting is dat door dit project vele 'vermiste' personen zullen komen bovendrijven. Sommige patiënten brachten namelijk jaren tot zelfs tientallen jaren binnen de muren van het gasthuis door en hebben daarom weinig tot geen sporen nagelaten in andere bronnen. De reden voor opname wordt in de registers helaas zelden vermeld, maar doordat wel is vastgelegd op welke afdeling iemand werd verpleegd weten we straks toch wie van uw voorouders leed onder besmettelijke ziekten, gebroken ledematen, een oogkwaal, hysterie of geslachtsziekten!

Binnengasthuis, 1890

De invoer op VeleHanden zal in porties worden toegevoegd aan de groeiende index op de website van het Stadsarchief.

Zoek in de index

Help mee met indexeren

Zie ook: Nieuwsarchief

Laatst bijgewerkt op 13 nov 2014

Nieuwsarchief