Mary Yuen werd geboren in Hong Kong, waar zij werkzaam was als lerares. Na haar huwelijk met Rob van der Made kwam ze in 1966 naar Nederland. Aanvankelijk had ze een baan bij Elsevier en werkte ze via uitzendbureaus bij uiteenlopende bedrijven. In de avonduren studeerde ze Engels en Frans en via een cursus handelscorrespondentie spijkerde ze haar Nederlands bij. Als tolk bij de Internationale Schakelklas ontdekte zij dat Chinese kinderen slecht Chinees spraken en Chinese ouders slecht Nederlands, waardoor de ouders vaak niet begrepen waar de kinderen op school mee bezig waren. Daarop huurde zij in 1979 een klaslokaal in een basisschool aan de Rustenburgerstraat waar zij kinderen op zaterdag Chinese les gaf. Niet lang daarna haalde ze ouders over om Nederlands te leren.
Omdat ouders steeds vaker bij haar kwamen met vragen, brieven en formulieren, richtte ze in 1987 Chinees centrum Wa Lai op. Wa Lai komt op voor de belangen van de gemeenschap en verzorgt onder andere maatschappelijk werk, cursussen, huiswerkklassen, voorlichting over onderwijs, herhuisvesting, ziekenfonds, enzovoort. Tevens werd het centrum een vraagbaak voor Nederlanders met vragen over China. Het centrum is gevestigd in de Karel du Jardinstraat. Naast de Chinese School en het Chinees Centrum is Mary van der Made actief voor de werkgroep Chen Hui, die zich inzet voor oudere Chinezen. Samen met haar man is zij erevoorzitter van Kantonese Operagroep Yim Kwam Fong. Verder is zij actief betrokken bij vele initiatieven georganiseerd vanuit, betreffende of ten behoeve van de Chinese gemeenschap in Nederland.
De collectie bevat archivalia, foto’s en audiovisuele documenten met betrekking tot de school en centrum Wa Lai, de samenwerking met de gemeente bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1986, haar bemoeienissen met verscheidene tentoonstellingen in de stad, en haar adviezen ten behoeve van onderzoek naar de leefsituatie van de oudere Chinezen.
Om de overdacht van de collectie luister bij te zetten, verzorgden de directeur van het Stadsarchief Marens Engelhard en Ron Blom een presentatie bij Wa Lai over het belang van het archief voor de Chinese Amsterdammers.
![]() |
Vrachtwagen van Vroom en Dreesmann bij de dienstingang van het Stadsarchief aan de Herengracht |
Het archief vormt een waardevolle aanvulling op de huidige collectie van het Stadsarchief, waarin zich ook de archieven van twee andere belangrijke Amsterdamse warenhuizen, de Bijenkorf en Metz & Co., bevinden. Interessant onderdeel vormt de serie advertenties die V&D van 1887 tot 1988 verzamelde. Waarmee een eeuw aan veranderingen in huishouding en mode prachtig wordt geïllustreerd.
Naast het archief van de centrale organisatie, vindt men archiefmateriaal van de verschillende filialen uit het hele land, van Leeuwarden tot Middelburg. Het archief bevat ongeveer 20 meter aan fotoalbums vanaf de jaren ‘30 tot ongeveer de jaren ‘50 van het exterieur en interieur van veel van die filialen.
Ook de familie Vroom liet haar sporen in het archief na: in een aantal schoendozen kwamen onder andere correspondentie, huwelijksaankondigingen en menu’s tevoorschijn afkomstig van de oprichter en zijn nazaten. Zo laat het archief mooi zien hoezeer de familie vervlochten was met het bedrijf.
![]() |
Uitverkoop bij Vroom & Dreesmann in de Rozenstraat, 1907. Foto: J.L. Scherpenisse |
Via een neef van Willem komen Vroom en Dreesmann met elkaar in contact en raakten bevriend en niet lang daarna ook verzwagerd. Willem Vroom deed zaken volgens het principe lage winst, hoge omzet. De twee besloten samen te gaan werken en openden op 1 mei 1887 een winkel aan de Weesperstraat onder de naam Vroom & Dreesmann. Vroom en Dreesmann kopen steeds meer zaken gezamenlijk; in 1892 bezitten de heren zes zaken in Amsterdam die alle door familieleden worden beheerd.
De verkoopstrategie: tegen redelijke prijs kwalitatief goede manufacturen verkopen. De winstmarge is daardoor niet hoog en om de omzet te vergroten, moeten er nieuwe zaken worden aangekocht. In Amsterdam meer zaken openen is geen optie meer; men zoekt naar andere plaatsen. Eerst Rotterdam. Later volgen filialen in Den Haag, Nijmegen, Utrecht, Tilburg, Den Bosch en in 1907 is Maastricht aan de beurt. Ook de vestigingen buiten Amsterdam worden beheerd door familieleden van Anton Dreesmann of Willem Vroom. Net als bij andere grootwinkelbedrijven was omstreeks de eeuwwisseling een groot deel van het personeel intern.
Bij het 25-jarig jubileum in 1913 bestaat het Vroom & Dreesmann-imperium uit 22 vestigingen. De firma gaat ook nieuwbouw van winkels niet uit de weg en het assortiment wordt ruimer. Naast manufacturen worden nu ook bedden, meubels, kleden en gordijnen verkocht. De nieuwe warenhuizen die in de jaren 30 gebouwd zijn, krijgen een uitermate moderne uitstraling met liften en etalages die ’s avonds verlicht zijn.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog sluit de bezetter een groot aantal de vestigingen. Na de oorlog maakt de firma de balans op. De vestigingen in Rotterdam, Arnhem, Middelburg en Nijmegen zijn verwoest en men besluit hier nieuwe warenhuizen te bouwen. In de jaren vijftig krijgen bijna alle middelgrote plaatsen een V&D. Het assortiment is inmiddels uitgebreid met drogisterijartikelen, sportartikelen, platen etc, etc.. De warenhuizen gaan ook over op het principe van de zelfbediening. Ook in de jaren zestig groeit het aantal vestigingen gestaag. De vestigingen zijn ondergebracht in 20 NV’s die worden geleid door familieleden en aanverwanten. Begin jaren zeventig worden alle NV’s ondergebracht in Vendex International. Anton Dreesmann, kleinzoon van de stichter, initieert deze eenwording. In 1988 stapt Anton Dreesmann uit het concern en in 1994 wordt besloten tot een beursgang van Vendex International. De families Vroom en Dreesmann hebben dan geen betrokkenheid meer met het bedrijf. In 1999 fuseert Vendex met het KBB-concern (Bijenkorf en de HEMA). In 2006 werd de naam van de eigenaren veranderd in Maxeda. Maxeda verkocht V&D en La Place eind 2010 aan Sun European Partners.
![]() |
Aanvraag buitenlands paspoort door Lambertus Jasper de Kok, 15 juni 1944. |
![]() |
Verwijderde straatnaamborden met namen van joodse afkomst op een kar in de Mozes en Aäronstraat. Bij besluit van de burgemeester van 14 augustus 1942 werden straten, vernoemd naar personen van joodse afkomst, gewijzigd. Afbeeldingsbestand: KOKBB00007000001 |
De gevonden foto’s van De Kok vullen het beeld dat wij hebben van de eerste oorlogsjaren op unieke en schokkende wijze aan. De Kok fotografeerde veel straatscènes, vaak vanuit propagandadoeleinden en met antisemitische interpretatie van wat hij vastlegde. De gevonden foto’s tonen bijvoorbeeld de onrust op het Rembrandtplein in de aanloop naar de Februaristaking in 1941. Er wordt geduwd, getrokken en gevochten tussen Amsterdamse politie, joodse knokploegen, NSB’ers, Duitsers en al dan niet willekeurige passanten. Andere tot nu toe ongekende beelden betreffen het ‘ariseren’ van het Amsterdamse straatbeeld. ‘Joodse’ straatnaamborden worden verwijderd en vervangen voor niet-joodse straatnamen. Passanten kijken toe.
![]() |
Arrestatie van een man bij café Hoppe aan het Spui door rechercheur Willem Klarenbeek. Opschrift op verso: 'arrestatie joodsche handelaars in gestolen bonnen (spui)'. Afbeeldingsbestand: KOKBB00009000001 |
Joodse Amsterdammers worden aangehouden, lastig gevallen en gearresteerd. Volgens De Kok wegens wetsovertredingen als het beledigen van NSB’ers of het zwart handelen in bonnen. Een (show)proces tegen zwarthandelaren wordt door De Kok uitgebreid vastgelegd.
Een aantal foto’s vertoont Joden die worden opgeroepen voor tewerkstelling in relatief onbekende kampen als Molengoot bij Hardenberg. Zij werden door De Kok gefotografeerd bij het bureau waar zij zich moesten melden. Op schijnbaar luchthartige wijze nemen ze bij de trein afscheid van geliefden en vrienden.
![]() |
Een rechercheur doorzoekt de kleding van een diamanthandelaar. Tijdens de controle-actie in de Diamantbeurs op het Weesperplein op 17 april werden zij in de Diamantbeurs gecontroleerd op het bezit van diamanten en gedwongen deze in te leveren. Afbeeldingsbestand: KOKBB00024000037. |
Een grote serie foto’s betreft het beroven van vooral joodse diamanthandelaren in de Amsterdamse Diamantbeurs. Op 16 april 1942 werden de handelaren gedwongen hun diamantvoorraad à 23.000 karaat bij de Duitsers in te leveren. Op 17 april hield de Crisis Controledienst onder leiding van de Amsterdamse rechercheur Willem Klarenbeek een controle in de Diamantbeurs waar de handelaren op grove en vernederende wijze werden gefouilleerd op eventueel achtergehouden diamanten. Een persoonlijk sieraad als een diamanten dasspeld ontsnapte niet aan deze rechercheurs. Die werd ter plekke uit de das gehaald. Klarenbeek vroeg De Kok deze actie tot in detail vast te leggen. Rechercheur Klarenbeek blijkt een vaste opdrachtgever van De Kok te zijn. Hij liet zich dan ook regelmatig fotograferen terwijl hij werkzaamheden ten gunste van de Duitse bezetter uitvoerde.
Dit weekend is het 69 jaar geleden dat de diamanthandelaren in de Beurs beroofd werden. Een actie die daarna in de vergetelheid is geraakt.
![]() |
Schrijvers hangen op de trap bij een Boekenbal, foto ANP |
Koornstra werd in Rotterdam geboren in een streng protestants, calvinistisch milieu. Zijn vader overleed tijdens de Eerste Wereldoorlog en met zijn moeder verhuisde hij naar Haarlem, waar hij zijn verdere jeugd zou doorbrengen. De christelijke school waarop hij daar terechtkwam vormde een zware beproeving, die een onuitwisbaar stempel op zijn karakter zou drukken, namelijk een diepgewortelde drang naar onafhankelijkheid. Nog tijdens zijn weinig succesvolle schooljaren werden zijn artistieke talenten opgemerkt, maar hij wilde zich door zijn afkeer van scholen niet vastleggen op het kunstnijverheidsonderwijs. In plaats daarvan nam hij diverse baantjes aan, onder andere als kok en banketbakker, maar ook als zilversmid, verkoper en decorateur. Al vroeg maakte hij zwerftochten door Frankrijk, waar hij in de Parijse musea belangrijke indrukken opdeed van moderne kunst.
In 1939 leerde Metten Koornstra op de Rotterdamse Academie de techniek van het lithograferen, bij de graficus Derkzen van Angeren. In dat jaar werd er voor het eerst een expositie van zijn tekeningen georganiseerd in de Amsterdamse galerie De Ronde Brug aan de Reguliersgracht. Na de oorlog, in 1946, kocht Koornstra in Limburg een oude litho-pers, waarmee hij in zijn atelier een werkplaats startte. Hiermee zou hij een belangrijke bijdrage leveren aan de opbloei van de Nederlandse grafiek na de Tweede Wereldoorlog. Met de hulp van Piet Clement, toentertijd een jonge leerling-drukker, groeide het bedrijfje, Printshop 845 aan de Prinsengracht, uit tot een vermaarde instelling waar prominente kunstenaars uit binnen- en buitenland hun grafiek lieten drukken.
![]() |
Metten Koornstra verwelkomt gasten op een Boekenbal, foto ANP |
In de jaren na de Tweede Wereldoorlog ontwierp Koornstra vele theaterdecors, vooral voor de Nederlandse Comedie en het Rotterdams Toneel. Belangwekkend zijn voorts de steendrukken die hij vervaardigde voor de bibliofiele uitgave van Aloysius Bertrands ’Gaspard de la Nuit’ en de door hem ontworpen boekomslagen, onder meer voor werken van Hugo Claus. Op latere leeftijd legde hij zich meer toe op het schilderen. Met deze werken die zich kenmerken door een geheel eigen, verstilde stijl oogstte hij de nodige waardering.
In 2009 overleed Josje Warmer, de tweede vrouw van Koornstra. Uit haar nalatenschap heeft het Stadsarchief een veelzijdig archief over Koornstra geschonken gekregen: litho’s, documenten, brochures, foto’s over Metten Koornstra, zijn vriendenkring (onder anderen door Cas Oorthuys, Bert Nienhuis en Paul Huf) en van de versieringen voor het boekenbal, Sinterklaasoptochten, decors e.a. decoraties.
Inventaris: Collectie Metten Koornstra